VELDE, Cornelis Antonius van der

Cornelis Antonius van der Velde

(roepnaam: Kees), bezoldigd penningmeester en geschiedschrijver van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond, is geboren te Amsterdam op 30 september 1860 en aldaar overleden op 12 december 1932. Hij was de zoon van Gerrit van der Velde, huisbediende, later museumopzichter, en Johanna Koning. Op 25 november 1886 trad hij in het huwelijk met Paulina Elisabeth Jüngcurt (ook gespeld: Jungcurt), met wie hij twee dochters en twee zoons kreeg.

Van der Velde, oudste zoon in het gezin, werd in een kelderwoning op het Vlakkeveld (de latere 3e Weteringdwarsstraat) in Amsterdam geboren. Al vroeg wees zijn moeder hem op de scherpe tegenstellingen in het maatschappelijk leven, waardoor werklieden arm, onontwikkeld en kwetsbaar bleven. Maar omstreeks 1870 gold dat niet voor alle Amsterdamse arbeiders. Een bepaalde categorie, de diamantbewerkers, verdiende door de aanvoer van grote hoeveelheden ruwe diamant uit de Engelse Kaapkolonie hoge lonen in de snel opbloeiende diamantindustrie. De korte hoogconjunctuur gedurende de 'Kaapse Tijd' (1870-1874) verschafte ook edelsmeden veel werk. Van der Velde zou, nadat hij de openbare lagere school op twaalfjarige leeftijd had verlaten, goudsmid worden. Hij voltooide de opleiding niet. In 1877 vertrok hij naar Zaandam, vanwaar hij in 1881 als diamantslijper naar zijn ouderlijk huis terugkeerde. Omstreeks 1880 bleek het voor diamantbewerkers weer moeilijk om werk te vinden. Van der Velde ontwikkelde zijn intellectuele gaven. Hij las, 'nadat het van hand tot hand was gegaan', het Handelsblad en merkte dat deze krant hem meestal 'onbegrepen dingen' bood. Enige tijd na de oprichting van de Sociaal-Democratische Bond (SDB), in maart 1882, sloot Van der Velde zich bij deze partij aan. Hij toonde ook in de SDB zijn drang naar kennis en rustte niet voordat hij - naar eigen zeggen - 'de dingen werkelijk had leren kennen'. Ondertussen had hij als diamantslijper werk gevonden. Eind 1886 trouwde hij een meisje uit zijn buurt, dat tot haar huwelijk als dienstbode in Weesp werkte.

Omdat de SDB zich in december 1887 had omgevormd van een politieke partij met in de eerste plaats individuele leden tot een maatschappelijke strijdorganisatie op basis van vooral vakverenigingen kwam in oktober 1888 een Sociaal-Democratische Diamantbewerkers-Vereeniging tot stand. Voorzitter van deze vooral uit 'christen-diamantbewerkers' bestaande kleine Organisatie was J.A. van Zutphen. De van afkomst protestants-christelijke Van der Velde werd penningmeester. Veel groeikracht had de revolutionaire vakvereniging niet. Wel werd door haar optreden de blik van Van der Velde ruimer. In de zomer van 1889 hield de vereniging een solidariteitsactie voor stakende Duitse diamantbewerkers in Hanau, bij Frankfurt am Main. Vanaf deze tijd begon Van der Velde zich de Duitse en, door contacten met Franse diamantbewerkers, de Franse taal eigen te maken. Hij trad niet op de voorgrond. De 'zwijger, kalme waarnemer en rustige berader' belastte zich met allerlei organisatorische werkzaamheden die hij nauwgezet verrichtte. Het werd hem spoedig duidelijk dat het revolutionaire 'sociaal-democratisch etiket' van de diamantbewerkersvereniging haar groei in de weg stond. In september 1889 werd daarom in de plaats van de Sociaal-Democratische een 'neutrale' Nederlandsche Diamantbewerkers-Vereeniging geconstitueerd, die ook voor de toen aan het gezag van orthodoxie en Oranjehuis trouwe joodse diamantbewerkers aantrekkelijk zou kunnen zijn. Voorzitter werd de joodse diamantbewerker B.A. Wins, Van Zutphen werd secretaris en Van der Velde opnieuw penningmeester. Toch had de nieuwe vereniging weinig toeloop, totdat H. Polak en andere aanhangers van het parlementaire socialisme - waarvoor in de SDB geen plaats meer bleek te zijn - lid werden en haar nieuw leven inbliezen. Toen de twaalf apostelen, onder wie Polak, de parlementaire SDAP oprichtten, sloot Van der Velde zich meteen bij de nieuwe partij aan, waarvan hij tot zijn dood lid zou blijven. Maar hij speelde geen vooraanstaande rol in de partij, omdat hij al zijn krachten aan de diamantbewerkersbond wijdde. Na het uitbreken van een grote staking van diamantbewerkers op 5 november 1894 verklaarde de Nederlandsche Diamantbewerkers-Vereeniging zich bij monde van Polak solidair met de staking. Op initiatief van het toen gevormde Stakingscomité kwam op 18 november het Hoofdcomité der Gezamenlijke Diamantbewerkers-Vereenigingen (een tiental verenigingen omvattend) voort. Spoedig nam dit Hoofdcomité de naam Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkers Bond (ANDB) aan. Van der Velde deelde het streven van Polak om van de ANDB de eerste 'moderne' vakbond van Nederland te maken, gekenmerkt door hoge contributies, goed bezoldigde vrijgestelde bestuurders, een behoorlijk orgaan (het Weekblad van den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond) en vooral - een weerstandskas ter financiering van de vakbondsstrijd. Gezien de grote financiële belangen van de ANDB werd al in maart 1895 een bezoldigd penningmeester benoemd: D.P. de Vries Dzn. Samen met De Vries bereikte Van der Velde dat eerst de fabriek aan het Tuinpad waar hij zelf werkte en een jaar later de gehele Amsterdamse diamantindustrie een verplichte schafttijd voor de arbeiders invoerde zonder verlenging van de arbeidstijd. In de zomer van 1896 werd Van der Velde benoemd tot bezoldigd tijdelijk bestuurder van de ANDB. In 1897 werd hij door de leden van de ANDB, met ingang van 1 januari 1898, tot bezoldigd tweede penningmeester gekozen. Hij zorgde onmiddellijk voor een scherpe controle op de contributiebetaling. Deze aanpak bezorgde hem moeilijkheden. De Amsterdamse diamantbewerkers waren in deze begintijd vaak ruw en 'een van deze beroerde kerels' heeft, aldus verklaarde later de kassier van de ANDB, Van der Velde met een mes bedreigd. Door de tweede Boerenoorlog (1899-1902) stagneerde de aanvoer van ruwe diamant en begon een periode van grote werkloosheid en diepe ellende voor de diamantbewerkers. Juist in die tijd werd het door H.P. Berlage ontworpen Bondsgebouw (aan de huidige Henri Polaklaan in Amsterdam) geopend, dat gedurende de spoorwegstakingen van 1903 het hoofdkwartier van de actie was. Het dagelijks bestuur van de ANDB, dus ook Van der Velde, bleef vasthouden aan de 'moderne' strategie in de vakbondsstrijd. Bij een grote staking in 1904 klaagden 65 ontevreden bondsleden over deze strijdwijze, omdat zij 'even zoo goed' wilden leven als hun bezoldigde bestuurders, 'die in koffiehuizen eten en drinken, en een onbekommerd leven hebben'.

Vanaf 1904 begon de conjunctuur in de diamantindustrie sterk te verbeteren. Van der Velde verhuisde in 1907 met zijn gezin naar Bussum. Samen met De Vries pakte hij opnieuw het wanbetalersprobleem aan. Aan 'eenige tientallen feitelijk niet meer tot het vak behoorende individuen' werd een uitkering bij werkloosheid geweigerd, zonder daarbij afbreuk te doen aan de instelling van een Werkloosheidsfonds, zoals de in kracht toenemende ANDB dat van plan was. Nu er zoveel bereikt leek voelde Van der Velde de behoefte een geschiedenis te schrijven van de ANDB, voornamelijk over de moeilijke periode 1894-1904. Van januari 1910 tot maart 1912 verschenen met grote regelmaat in het Weekblad in totaal vijfennegentig afleveringen van zijn 'Millioenen-studie', die onder verwijzing naar de Millioenenstudiën van Multatuli het belang van het leggen van de financiële basis van de ANDB beklemtoonde. In Amsterdam teruggekeerd kreeg Van der Velde in het voorjaar van 1912 van de Bondsraad machtiging in opdracht van het Bondsbestuur een boek over de geschiedenis van de ANDB te schrijven, maar door de opnieuw optredende grote werkloosheid in het vak, het uitbreken van de wereldoorlog in 1914 (waardoor de werkloosheid onder de diamantbewerkers bijna algemeen werd) en, na de oorlog, door de gestegen drukkosten, kwam het voorlopig niet tot een uitgave. Bovendien had Van der Velde steeds meer taken van De Vries, wiens gezondheid achteruitging, overgenomen. Na het eervol ontslag om gezondheidsredenen van De Vries in 1920 werd Van der Velde gekozen tot diens opvolger. Hij nam ook diens functies als penningmeester van het Wereldverbond van Diamantbewerkers, als lid van de Bestuursraad van het NVV en van de Amsterdamsche Bestuurders Bond over. Voor de benoeming van een nieuwe tweede penningmeester ontbrak door de teruglopende conjunctuur het geld. Geldgebrek was ook de oorzaak van het afstoten van een aantal culturele taken door de ANDB, maar in het voorjaar van 1923 leek er ruimte te komen voor uitgave van Van der Veldes boek. De 62-jarige Van der Velde verhuisde in de zomer van dat jaar naar Diemen en zei kort daarop tegen zijn vriend Polak 'het voornemen te hebben zijn ambt neer te leggen'. Hij wilde, nu hij nog gezond was, zijn geschiedwerk over de ANDB voltooien. Bij zijn afscheid in het voorjaar van 1924 kreeg Van der Velde veel waardering. Een jaar later brachten jonge leden van de ANDB voor de uitgave ruim 2700 gulden bijeen. De inmiddels weer met zijn gezin naar Amsterdam teruggekeerde Van der Velde voltooide in het najaar van 1925 zijn 784 pagina's tellende boek De A.N.D.B. Een overzicht van zijn ontstaan, zijne ontwikkeling en zijne beteekenis (Amsterdam 1925). Het was geen analytisch, kritisch geschiedwerk, hoewel Van der Velde wel duidelijk maakte dat zijns inziens de arbeiders zelf, al of niet onder invloed van wat hij noemde 'anarchistisch gif', soms oorzaak waren van de tijdelijke stilstand of achteruitgang van de opleving van hun klasse. Vaktechnische vraagstukken behandelde de schrijver terloops. Hoofdzaak was het gedegen verslag van de voornaamste feiten en gebeurtenissen van de ANDB-geschiedenis, die hij 'als een film aan de ogen wilde laten voorbijgaan'. Hoewel Van der Velde zijn 'Millioenen-studie' uit 1910-1912 uiteraard verwerkte, gaf zijn Overzicht veel meer. Wel behield het boek een feuilletonachtig karakter, maar Van der Velde bood ook een nieuw, ruim zeventig pagina's tellend overzicht van de voorgeschiedenis van de ANDB. Over de periode na 1904 schreef hij ruim tweehonderd nieuwe bladzijden, waarin ook de geschiedenis van het Koperen Stelenfonds 'Nieuwe Levenskracht', opgericht om de tuberculose te bestrijden, en van het Wereldverbond van Diamantbewerkers werd behandeld. Van der Veldes werk kan de vergelijking met andere door arbeiders geschreven geschiedenissen zeker doorstaan, al mist zijn overzicht af en toe de gedrevenheid die de geschreven geschiedenissen van bijvoorbeeld W.H. Vliegen en J.H.A. Schaper kenmerken. Van der Veldes voornaamste bron was het Weekblad van de ANDB, aangevuld met zijn eigen ervaringen. Polaks oordeel over het boek: 'Heeft Van der Velde met zijn boek den Bond een belangrijke dienst bewezen, zich zelf heeft hij er een monument mede gesticht.' Op 12 december 1932 maakte een hevige aderverkalking een eind aan het leven van Van der Velde. Onder grote belangstelling van vele vrienden uit de arbeidersbeweging en van een groot aantal leden van de ANDB werd hij op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam begraven, zonder toespraken en zonder bloemen. Alleen de bondsvlag dekte de kist.

Archief: 

Knipselverzameling C.A. van der Velde in Gemeentearchief Amsterdam.

Publicaties: 

Millioenen-studie in: Weekblad, 21.1.1910-22.3.1912.

Literatuur: 

Algemeen Handelsblad, 13 en 15.12.1932; H. Polak, 'C.A. van der Velde. † in: Het Volk, 15.12.1932; Weekblad van den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond, 16.12.1932; J. Oudegeest, De geschiedenis der zelfstandige vakbeweging in Nederland I (Amsterdam 1926) 462; G.W.B. Borrie, Monne de Miranda. Een biografie (Den Haag 1993); S. Bloemgarten, Henri Polak Sociaal democraat 1868-1943 (Den Haag 1993).

Portret: 

C.A. van der Velde, uit: J. Oudegeest, De geschiedenis van de zelfstandige vakbeweging in Nederland I (Amsterdam 1926)

Auteur: 
C.H. Wiedijk
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 224-227
Laatst gewijzigd: 

00-00-1995