REVE, Gerardus Johannes Marinus van het

Gerardus Johannes Marinus van het Reve

(roepnaam: Gerard; ook bekend als Vanter), communistisch journalist en schrijver, is geboren te Enschede op 11 april 1892 en overleden te Amsterdam op 18 februari 1975. Hij was de zoon van Johannes Hendrikus van het Reve, textielarbeider, en Femia Christina Weernink, dienstbode. Op 22 juli 1916 trad hij in het huwelijk met Jannetta Jacoba Doornbusch, met wie hij twee zoons kreeg. Na haar overlijden op 11 september 1959 hertrouwde hij op 23 september 1965 met Johanna de Jong. Dit huwelijk bleef kinderloos.
Pseudoniemen: (Gerard) V(an)t(e)r, G(erard) Revers, Gerard van Woensel, Rinko Wiersma, George van Buuren, Oom Jaap, Ru Vahé, De Uitgeefster.

Van het Reve werd geboren aan de rand van Enschede. Zijn moeder stamde uit een familie van textielarbeiders en bracht haar man het weversvak bij, die werk kreeg in de plaatselijke spinnerij. Verder was hij amateur-toneelspeler en dronk hij nogal eens te veel. Zijn moeder hield pas op met werken als dienstbode toen het vierde van negen kinderen werd geboren. Zijn vader moest sindsdien na de fabrieksarbeid in de avonduren bijverdienen. Zo werkte hij als kelner en verlevendigde hij bruiloften als lid van de plaatselijke muziekvereniging. Het gezin was weliswaar rooms-katholiek gedoopt, maar van een doorleefde geloofsovertuiging was geen sprake. Wel bezocht Van het Reve een roomse jongensschool. Tot een breuk met kerk en geloof kwam het toen hij op de lagere school voor een onbetekenend vergrijp slaag kreeg. Daarna stuurde zijn vader, die toch al niet zoveel met het geloof op had, de kinderen onmiddellijk naar de openbare school. Zijn vader was een bewonderaar van F. Domela Nieuwenhuis en bevriend met meerdere militante socialisten, onder wie J. Tusveld, textielarbeider en voorman van de Twentse arbeidersbeweging. Behalve door zijn vader werd de politieke interesse van Van het Reve ook gewekt door de strijd van de Twentse textielarbeiders tegen uitbuiting. Van het Reve maakte bewust de grote textielstaking van eind 1901, begin 1902 mee, gericht tegen een door de fabrikant G.J. van Heek verordonneerde loonsverlaging. Door uitsluiting kwamen duizenden arbeiders zonder inkomen te zitten. Zijn vader zamelde met medemuzikanten geld in. Ondanks hulpcomités uit de burgerij ging de staking verloren. Bij een volgende staking trad zijn vader op als stakingsleider, wat op zijn ontslag uitdraaide en hem veroordeelde tot het accepteren van baantjes die zich aandienden. Op de zoon maakten deze gebeurtenissen een onuitwisbare indruk. Na de lagere school ging Van het Reve in de fabriek als wever aan het werk. Het was het begin van een fabrieksbestaan, dat zijn vrijheidsdrang dusdanig beknotte dat hij, zij het maar kort, van huis wegliep. Het verzet tegen het arbeidersbestaan gaf hij sindsdien niet meer op. Hij werkte als textielarbeider in verscheidene Twentse plaatsen en rond zijn vijftiende jaar voor enige tijd in een spinnerij te Gronau, net over de grens in Duitsland. In deze periode volgde hij na werktijd de burger- en ambachtsavondschool te Enschede. Hoewel een van de beste leerlingen, kreeg hij niet de kans voor onderwijzer te gaan leren omdat zijn ouders zijn loon niet konden missen. Wel kwam de kennis die hij op de avondschool opdeed hem later van pas. Vanaf maart 1907 verschenen onder diverse initialen artikelen van zijn hand over de plaatselijke arbeidersbeweging in Recht door Zee. Orgaan gewijd aan de belangen van de Verdrukten en Miskenden, een weekblad onder redactie van B. Lansink, de latere voorzitter van het Nationaal Arbeids-Secretariaat. Ook schreef hij enkele artikelen in De Vrije Textielarbeider. Orgaan van de Landelijke Federatie van Textielarbeiders, een eveneens door Lansink geredigeerd maandblad. In 1910 koos Van het Reve, net als veel van zijn naaste familieleden, voor de Sociaal-Democratische Partij (SDP) en werd secretaris van de kleine afdeling Enschede, in welke hoedanigheid hij H. Gorter uitnodigde voor een cursusvergadering. Op weg naar de vergadering dronk Gorter een kop koffie in hotel De Graaff, terwijl hij Van het Reve buiten liet wachten. Volgens sommigen gebeurde dat uit burgerlijke hovaardij, volgens anderen wilde Gorter de jonge arbeider besparen er zich ongemakkelijk te voelen. Na afloop van de vergadering bracht Van het Reve Gorter op de fiets naar Hengelo om er te beraadslagen over verdere acties. Daar ontmoette hij zijn toekomstige vrouw Net Doornbusch, die er Gorters cursussen over marxisme volgde. Zij stamde uit een SDP-nest en werkte als dienstmeisje bij J. Bendien, de Twentse textielfabrikant bij wie Gorter tijdens zijn Twentse propaganda- en scholingsoptredens logeerde.

Uit onvrede met de bestaansmogelijkheden in Twente beproefde Van het Reve in 1911 zijn geluk in het Duitse Dortmund, waar hij het vak van rolluiken- en jaloezieënmonteur leerde. In maart 1912 werd hij echter onder de wapenen geroepen en keerde naar Nederland terug. Na afloop van zijn diensttijd ging hij in maart 1914 weer naar Dortmund, om bij het uitbreken van de wereldoorlog ijlings naar zijn regiment terug te keren. Grote indruk op Van het Reve maakte Gorters brochure Het imperialisme, de wereldoorlog en de sociaal-democratie van eind 1914. In 1915 vertaalde hij een brochure van de Duitse marxist H. Laufenberg en in 1916 was hij de kunstschilder en etser J. Proost behulpzaam bij het smokkelen van Duitstalige brochures en tijdschriften naar Duitsland en hielp hij hem aan militaire stafkaarten van het grensgebied. Ook stuurde hij stukjes op naar De Tribune, waarvan het eerste, 'De recruut', op 18 maart 1916 werd afgedrukt. Zijn vroegste politieke artikel dateert van 28 april. Het riep op tot acties voor demobilisatie en een verbod op levensmiddelenuitvoer. Tot begin jaren dertig zou Van het Reve voor De Tribune schrijven. Zijn artikelen waren over het algemeen heftig van toon en weinig genuanceerd, maar vrij van rancune jegens politieke tegenstanders. In de kazerne vernam Van het Reve van de Russische februarirevolutie van 1917 en wekte zowel in De Tribune als in het manifest 'Aan onze kameraden in het soldatenpak' van 13 september 1917 op tot de vorming van soldatenraden naar Russisch voorbeeld. Hij steunde eerst de bolsjewistische eis van vrede zonder annexaties, om in de nazomer in het voetspoor van D.J. Wijnkoop steun te verlenen aan het door A.F. Kerenski gelanceerde militaire offensief. Dit bezorgde de bolsjewiki de staatsmacht, waarna Wijnkoop en Van het Reve de Sovjetmacht onvoorwaardelijk gingen steunen. Wijnkoop verzocht Van het Reve, die bij de cavalerie in Oldenbroek diende, de uitgave te organiseren van de Soldaten-Tribune, die soldatenraden propageerde en ageerde tegen wantoestanden in het leger. Als pseudoniem koos Van het Reve (Gerard) Vanter, de naam waaronder hij in de arbeidersbeweging bekend werd. Op 7 november 1917 kwam het eerste nummer uit onder redactie van C. Kitsz, G. Vanter en L. de Visser in een oplage van duizenden exemplaren. Ofschoon er een garnizoensorder werd uitgevaardigd tegen bezit van het blad, werd het blad jarenlang onder soldaten verspreid.

In juli 1916 trouwde Van het Reve met Net Doornbusch, die zojuist was teruggekeerd van een verblijf in Australië, waar ze in de huishouding bij de tijdelijk geëmigreerde Bendien had gewerkt. Na vier doodgeboren kinderen werden in 1921 en 1923 twee zoons geboren, Karel en Gerard. In maart 1918 zwaaide Van het Reve af en vond een baan bij De Tribune, vanaf april 1916 een dagblad. Hij begon als manusje-van-alles. Wijnkoop en J. Ceton leerden hem het vak van journalist, evenals de letterzetter, journalist en esperantist W. Nutters. Vooral dankzij deze laatste ontwikkelde Van het Reve zich tot een bekwaam journalist. Hij versloeg onder meer de Kamerverkiezingen van juli 1918 en zittingen van de Tweede Kamer. Na de moord op R. Luxemburg en K. Liebknecht op 15 januari 1919 zat hij de herdenkingsbijeenkomst in de Diamantbeurs te Amsterdam voor. Op 11 april 1918 werd hij gekozen tot bestuurslid van SDP-afdeling Amsterdam, nadat hij in 1917 al was benoemd tot secretaris-penningmeester van de Nederlandsche Soldatenraad en tot voorzitter van het plaatselijke Revolutionair Socialistisch Comité. In deze in 1916 gestichte opvolger van het op 1 augustus 1914 opgerichte Comité Samenwerkende Arbeidersvereenigingen werkte de SDP samen met anarchistische en syndicalistische groeperingen. In 1919 werd Van het Reve redacteur-uitgever van het voor colportage bedoelde geïllustreerde satirische blad De Bolsjewiek, dat al na enkele nummers verdween omdat de Tribune-redactie het van onvoldoende kwaliteit achtte. Het werk bij De Tribune hing voor Van het Reve nauw samen met het wel en wee van de Communistische Partij in Nederland (CPN), zoals de SDP vanaf november 1918 heette. Toen het uitvoerend comité van de Comintern aan S.J. Rutgers de opdracht gaf om een Westeuropees Bureau in Amsterdam te vestigen, was Van het Reve hierbij betrokken. Van het Reve bood onder meer hulp aan buitenlanders die de conferenties van dit Bureau begin 1920 illegaal bijwoonden. Na de Kapp-putsch in Duitsland in maart 1920 vertrok Van het Reve samen met Proost, inmiddels CPN-vertegenwoordiger bij de Comintern, naar het Roergebied, omdat ze hoopten dat daar uit het militante arbeidersverzet een proletarische revolutie zou ontstaan. Over hun belevenissen schreef Van het Reve een viertal Tribune-artikelen, die tevens in het Franse arbeidersblad La Vie Ouvrière verschenen. Kort erop werd hij redacteur buitenland van De Tribune. In deze periode organiseerde hij via de Internationale Arbeidershulp (IAH) inzamelingen voor de hongerenden in de Sovjet-Unie. Bij De Tribune was hij verantwoordelijk voor het verschijnen van een zaterdagbijlage, waarin hij als 'Oom Jaap' stukjes voor de jeugd schreef. Hij raakte in deze tijd bevriend met J. Romein (sinds 1921 redacteur, later hoofdredacteur van De Tribune) en J. de Kadt. De vriendschap met De Kadt was na diens royement uit de CPN in 1923 over en Van het Reve bestreed hem heftig. In 1922 bezocht Van het Reve zonder mandaat het Comintern-congres in Moskou. Hij maakte er de revolutie-herdenking mee en zag zowel V.I. Lenin als L. Trotski. In De Tribune deed hij verslag van zijn reis. In 1924 keerde Van het Reve terug naar Twente toen daar opnieuw stakingen uitbraken. Een toespraak in Enschede kwam hem te staan op twee maanden cel, die hij in 1925 in Zutphen uitzat.

In de interne partijstrijd in 1925 en het daaropvolgende royement van Wijnkoop viel het Van het Reve zwaar stelling te nemen. Hij was afkerig van de officiële anti-Wijnkoopkoers, maar volgde Wijnkoop niet naar diens in 1926 opgerichte Communistische Partij Holland-Centraal Comité (CPH-CC). Van het Reve fungeerde vijf jaar lang in feite als hoofdredacteur van De Tribune, hoewel anderen (tot 1927 A. Wins, daarna A. Koejemans) die functie in naam bekleedden. Toen in juni 1930 de CPH-CC weer in de CPN opging en Wijnkoop en zijn aanhangers onder vernederende voorwaarden terugkeerde, werden Van het Reve en Koejemans bij De Tribune ontslagen. Koejemans werd onmisbaar geacht en mocht na enkele weken terugkeren, Van het Reve niet omdat het nieuwe partijbestuur hem als 'rechts' beschouwde. Het afscheid van De Tribune was voorgoed. Van de ene dag op de andere moest hij een nieuwe broodwinning vinden. Van het Reve begon historische boeken te schrijven, waarvan De Voorsten (Amsterdam 1930) als de eerste Nederlandse communistische roman valt te beschouwen. De roman, spelend in de Duitse grensstreek tijdens en na de Eerste Wereldoorlog, kreeg een voorwoord van Romein mee en was een hommage aan vader Van het Reve. Het boek verscheen in een Duitse en een Russische vertaling. Van het Reve bleek weinig gecharmeerd van Romeins nogal neerbuigende voorwoord en gaf later als secretaris van uitgeverij Nieuwe Cultuur (die werken uitgaf over de Sovjet-Unie en het communisme) de restexemplaren van de roman uit zonder het voorwoord. Hij schreef talrijke kinderboeken, waarvan De avonturen van Mop en Strop (Amsterdam 1930; onder het pseudoniem Gerard Revers) het bekendste werd. Als George van Buuren schreef hij een pornografisch werkje: Marijke de preutsche (Amsterdam 1931). Over het revolutionair verzet in het tsaristische Rusland publiceerde hij Azef de verrader (Amsterdam 1935). Romein bezorgde hem een wat substantiëlere inkomstenbron: de samenstelling van de inhoudsopgave en het register van zijn Nederlandse bewerking van de achtdelige Nieuwe geïllustreerde Wereldgeschiedenis (1929-1931). De historische kennis die Van het Reve hierbij opdeed gebruikte hij onder meer voor de historische roman Baanbrekers. Roman uit den boerenopstand in de 16de eeuw (Amsterdam 1932). Ondanks het weinig elegante optreden van de CPN bleef Van het Reve propaganda maken voor het communisme. Hij bouwde de Vereeniging van Vrienden der Sowjet-Unie (VVSU) uit, wat hem extra inkomsten opleverde en de CPN nieuwe leden. In februari 1932 richtte hij Feiten uit de Sowjet-Unie (later Rusland van Heden genaamd) op, dat als maandblad van de VVSU fungeerde en rijk geïllustreerd de verworvenheden van de Sovjet-Unie propageerde. Namens de VVSU organiseerde hij voorstellingen van Sovjet-films en de boekenclub Boekengemeenschap der Vrienden van de Sowjet-Unie. Ook verzorgde en begeleidde hij bezoeken van 'arbeidersdelegaties' aan de Sovjet-Unie en andere landen via het Arbeiders-Reisbureau. Van het Reve verbond de oorspronkelijk los van de CPN staande VVSU zo hecht met de CPN, dat dit midden jaren dertig tot een oppositie binnen de vereniging leidde, die in eigen periodieken Van het Reve betichtte van incompetentie en van horigheid aan de CPN-leiding. Veel invloed op de gang van zaken in de VVSU of de positie van Van het Reve had dit echter niet. Van het Reve was in de jaren 1931 tot 1933 eerst medewerker en later redacteur van Links richten, het orgaan van het in 1928 opgerichte gelijknamige Arbeiders Schrijvers Collectief, dat vanaf 1931 zeer nauw gelieerd was aan de CPN. Van het Reve zat samen met F.J. Goedhart in het hoofdbestuur. Hij publiceerde bovendien van 1921 tot 1932 artikelen over de politieke en economische situatie in Nederland en koloniale aangelegenheden in Internationale Presse-Korrespondenz, een blad van de Comintern. De CPN bleef ook in persoonlijk opzicht voor Van het Reve van belang, want hij hield er binnen de partijhiërarchie enkele vriendinnen op na. Hij sprak daar, tot verdriet van zijn vrouw en zoons, openlijk over.

Aan Van het Reve's functies binnen CPN en VVSU kwam in de zomer van 1938 een abrupt einde, toen hij het waagde uiterst bedeesde kritiek uit te oefenen op de officiële Geschiedenis van de Communistische Partij der Sowjet-Unie (Bolsjewiki) (Moskou 1938, Amsterdam 1939). Hij werd afgezet als algemeen secretaris van de VVSU en weggepromoveerd tot haar voorzitter, een onbetaalde functie zonder invloed. Ook moest hij opstappen als redacteur van Rusland van Heden. Romein schoot opnieuw te hulp en schakelde hem in voor historisch onderzoek naar het Nederlandse volkskarakter. Het werk dat Van het Reve als 'werkverschaffing voor intellectuelen' uitvoerde, het beoordelen van Duitse en Engelse reisverslagen ver Nederland gedurende een periode van vier eeuwen, werd nooit voltooid en gepubliceerd maar redelijk goed betaald. Van het Reve werkte er van 1938 tot 1941 aan en hij gebruikte zijn kennis na de oorlog voor enkele historische werken, die hij onder het pseudoniem Rinko Wiersma publiceerde. Ondanks zijn degradatie brak Van het Reve nog steeds niet met de CPN en publiceerde ook in de jaren 1938 en 1939 in Rusland van Heden. Vanaf 1933 verzette Van het Reve zich op talrijke bijeenkomsten en in een groot aantal artikelen tegen het nationaal-socialisme. Desondanks liet de bezetter hem na mei 1940 in eerste instantie met rust. Van het Reve woonde nog op 7 mei 1941 de crematie van Wijnkoop bij, maar kort daarna moest hij onderduiken. Dat lukte hem met moeite, omdat onder CPN-leden het gerucht circuleerde dat Van het Reve een verrader was met fascistische sympathieën. Het feit dat hij op veel plaatsen in Nederland ondergedoken zat verhinderde hem niet actief deel te nemen aan het verzet en hulp te bieden aan joden. In Gouda kwam Van het Reve in 1942 in contact met de Parool-groep en schreef verscheidene artikelen voor het blad van de verzetsgroep, dat was opgericht door ex-Tribune-redacteur Goedhart. Na de opheffing van de Comintern in mei 1943 bepleitte Van het Reve een autonome koers van de CPN, die volgens hem een kritische en open partij moest worden en zo kon bijdragen tot de sanering van het Nederlandse partijbestel na de oorlog. De Waarheid noemde hem daarop een renegaat, waarop Van het Reve verklaarde zich nog steeds als communist te beschouwen. In Rotterdam, waar Van het Reve in 1944 terecht was gekomen, redigeerde en verspreidde hij met anderen het Nieuwsbulletin van Het Parool, dat al bestond in Amsterdam en Utrecht en weldra ook in Den Haag zou gaan verschijnen. Kort voor de bevrijding ging hij naar Amsterdam, waar hij op 5 mei 1945 in het gebouw van De Telegraaf betrokken was bij de samenstelling van het bevrijdingsnummer van Het Parool. Van het Reve werd lid van de redactie van het inmiddels legale verzetsblad.

Na de oorlog was Van het Reve enkele jaren hoofdredacteur van de Twentse editie van Het Parool, later De Vrije Twentse Courant, in welke hoedanigheid hij wederom de Twentse textielfabrikanten hekelde. Na zijn terugkeer naar Amsterdam werkte hij nog kortstondig op de buitenlandredactie van Het Parool. Later bereidde hij nog een boek voor over de geschiedenis van Het Parool, maar veel verder dan een verzameling droge feiten kwam hij niet. De regering wees hem aan als lid van de Perszuiveringscommissie. Hij kreeg een buitengewoon staatspensioen omdat hij in de oorlog angina pectoris had opgelopen. Na het overlijden van Net Doornbusch hertrouwde Van het Reve met Jo de Jong, bij wie hij in Gouda ondergedoken had gezeten. Trots was Van het Reve op zijn beide zoons, de slavist Karel en de schrijver Gerard, in wiens De Avonden (1947) hij zichzelf beschreven vond maar niet herkende. Hij gaf hieraan uiting in zijn in 1967 verschenen memoires Mijn rode jaren. Herinneringen van een ex-bolsjewiek (Utrecht 1967; herdruk Haarlem 1982). Hoewel Van het Reve na de Tweede Wereldoorlog verre bleef van de CPN, sloeg hij aanvankelijk niet de weg in van het anticommunisme. Wel deed hij in 1958 in Het Parool een scherpe aanval op CPN-leider P. de Groot, maar hij voelde klaarblijkelijk niets voor een openlijke denunciatie van de partij en de Sovjet-Unie. Politiek bleef hij actief door artikelen te schrijven voor het links-socialistische blad De Vlam, vergaderingen te bezoeken van de Socialistische Unie (een voorloper van de Pacifistisch-Socialistische Partij) en in haar blad De Nieuwe Wereld artikelen te publiceren. Ook schreef hij voor de Socialistische Unie de brochure 'n Andere kijk. Tijdschrift voor andersdenkenden. Proefnummer (Amsterdam 1956), die hij op een vergadering van deze splinterpartij ronddeelde. Hij werd een aanhanger van de 'Derde Weg' en ageerde tegen een dreigende atomaire oorlog. Hij was betrokken bij de oprichting van de Vereniging Nederland-Joegoslavië en bezocht bijeenkomsten van de Vereniging Nederland-Polen. Deze activiteiten wekten jarenlang de belangstelling van de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Nog in 1967 betuigde Van het Reve adhesie aan het presidium van de Opperste Sovjet bij de vijftigste verjaardag van de Oktoberrevolutie. Vermoedelijk twijfelde hij toen al, want in 1971 meldde hij in een interview zichzelf te beschouwen als een anticommunist. Toch verliet ook toen het geloof in een betere wereld hem niet. Hij stemde in Amsterdam op de Kabouterpartij, die onder meer ageerde voor betaalbare woningen. In deze periode begon hij te kwakkelen met zijn geestelijke en lichamelijke gezondheid en moest tenslotte in 1973 worden opgenomen in sanatorium Hooglaren te Laren, waar hij twee jaar later overleed.

Publicaties: 

Een droom wordt werkelijkheid. De triomf van het socialisme in de Sowjet-Unie (z.pl. z.j.); Vrede of oorlog? 16 Augustus te Amersfoort. Landdag voor de vrede en voor erkenning van de Sowjet-Unie (z.pl. z.j.; bijdragen onder pseudoniem G. Vanter); Zakboekje voor den milicien Jan Zonderland. Behorend tot het corps van illegale partijgangers, genaamd 'Karl Liebknecht' (z.pl. z.j.); (met W. Nutters) voorwoord in: J.G. van Dillen, D.J. Wijnkoop, Sociaal-democratie of Bolsjewisme (Amsterdam 1919); bijdrage in: Het Jaarboekje van de Communistische Partij in Nederland 1920/1921; De fortuinvinder (Amsterdam 1931); De wonderlijke avonturen van Jonkheer Stribbel (Amsterdam 1931; onder pseudoniem G. Revers); De apen van mijnheer Pimpermeijer (Amsterdam 1932); De bezetene: roman van een waanzinnige liefde (Amsterdam 1936; onder pseudoniem Gerard van Woensel); 'Ter Inleiding' in: Zo lacht Moskou! Vrolijke schetsen uit het Sowjetleven (Amsterdam 1936); Valencia, Madrid, Barcelona! Een reportage (Amsterdam 1937); 'Een weversjong loopt weg' in: Vier voor het voetlicht (Amsterdam 1939; onder pseudoniem Gerard Vanter); Nederlanders onder commando van Hollander Piet in Spanje (Amsterdam 1939); Het verhaal der wereldgeschiedenis (Amsterdam 1942; onder pseudoniem Rinko Wiersma); 100 Gestalten uit de wereldgeschiedenis (Amsterdam 1948; later uitgegeven als: Grondleggers der cultuur uit dertig eeuwen; een selectie Amsterdam 1967 als: Tijdsbeelden, typen en topfiguren); Oorlog over Nederland (Amsterdam 1948); Het verhaal der vaderlandse geschiedenis (Amsterdam 1948); Rijnland en omgeving (Amsterdam 1956); Mijn naam is Roelant (Amsterdam 1957); Op zoek naar het verloren vuur: Een verhaal van jagende holbewoners in het stenen tijdperk (Amsterdam 1965); bibliografie van de boeken door C.J. Aarts in: C.J. Aarts, W. Tibergien (red.), Aarts' letterkundige almanak voor 1992. Gerard Vanter 1892-1975 (Amsterdam 1992) 103-113.

Literatuur: 

S. van het Reve, De Avonden (Amsterdam 1947); G. Reve, Tien vrolijke verhalen (Amsterdam 1961); G. Harmsen, Blauwe en rode Jeugd (Assen 1961); J. de Kadt, Uit mijn communistentijd (Amsterdam 1965); G. Reve, Nader tot U (Amsterdam 1966); K. van het Reve, 'Drie exemplaren Van het Reve' in: De Nieuwe Revu, 15.7.1967; A. Romein-Verschoor, Omzien in verwondering. Herinneringen (Amsterdam 1970); 'Vader van het Reve werd 80' in: Het Parool, 12.4.1972; W. van Ravesteyn, 'Brieven van een oude politicus' in: Hollands Maandblad, 14 (1973), nr. 302, 15-25; A.J. Koejemans, 'In Memoriam G.J.M. van het Reve' in: De Journalist, 15.3.1975; M. Nord, 'Gerard van het Reve sr was idealist en vechter' in: Het Parool, 20.2.1975; 'Brieven naar de gevangenis. Ontvangen door G.J.M. van het Reve (1924-1925)' in: Hollands Maandblad, 17 (1976), nr. 341, 15-23 (voorwoord K. van het Reve); G. Reve, Oud en eenzaam (Amsterdam 1978); I. Meijer, 'Uren met Karel van het Reve' in: De Haagse Post, 12.1.1980; G. Reve, Moeder en zoon (Amsterdam 1980); Archief Reve (Baarn 1981-1982); G. Reve, De Vierde Man (Amsterdam 1981); G. Reve, In gesprek. Interviews (Baarn 1983); G. Reve, Brieven aan geschoolde arbeiders 1959-1981 (Utrecht 1985); G. Schuts, 'De trap. Biografische notities bij G.J.M. van het Reve alias Gerard Vanter, en een zedenschets van het communistisch milieu waar hij in woonde' (doctoraalscriptie Amsterdam 1986); I. Cornelissen, 'Nu en toen' in: Vrij Nederland, 1.8.1987; Th. Holman, 'Vader Vanter' in: Het Parool, 28.11.1991; I. Cornelissen, 'Karel van het Reve zijn vader. "Met regenjas en groene fantasiehoed"' in: Vrij Nederland, 25.5.1991; M. Buschman, 'Het kopje koffie van Gorter' in: Uitgelezen boeken, 4 (1991), nr. 3, 40-47; Th. Holman, Karel. Zjizn njenoezjnogo tsjelovjeka (Amsterdam 1991; het leven van een nutteloos mens); G. Reve, Brieven aan mijn lijfarts (Amsterdam 1991); M. de Keizer, Het Parool 1940-1945. Verzetsblad in oorlogstijd (Amsterdam 1991); K. van Kempen, 'Gerard Vanter, "Herlezen"' in: Tubantia, 25.4.1992; C.J. Aarts, W. Tibergien (red.), Aarts' letterkundige almanak voor 1992. Gerard Vanter 1892-1975 (Amsterdam 1992); G. Verrips, Dwars, duivels en dromend. De geschiedenis van de CPN 1938-1991 (Amsterdam 1995); N. Maas, Kleine Bolsjewieken. De kleuterjaren van Karel en Gerard (van het) Reve (Bloemendaal 1999).

Portret: 

Gerardus Johannes Marinus van het Reve, uit: G.J.M. van het Reve, Mijn rode jaren. Herinneringen van een ex-bolsjewiek (Haarlem 1982)

Auteur: 
Henny Buiting
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 181-188
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003