PIECK, Henri Christiaan

Henri Christiaan Pieck

(roepnaam: Han), communistisch schilder en illustrator en spion voor de Sovjet-Unie, is geboren te Den Helder op 19 april 1895 en overleden te Den Haag op 12 januari 1972. Hij was de zoon van Henri Christiaan Pieck, hoofdmachinist bij de marine, en Stoffelina Petronella Neijts. Op 12 juli 1922 trad hij in het huwelijk met Geziena van Gelder, met wie hij een zoon kreeg. Dit huwelijk werd op 14 mei 1928 ontbonden. Op 25 mei 1928 hertrouwde hij in St. Giles (Groot-Brittannië) met Bernharda Hugona Johanna (Bernie) van Lier, bibliothecaresse, met wie hij twee dochters kreeg.

De tweelingbroers Anton en Han Pieck, tot hun zeventiende vrijwel onafscheidelijk, groeiden onder vrij arme omstandigheden op. Hun vader, een man met liberale opvattingen, was veel weg en liet nogal eens na een deel van zijn gage over te maken. Hun moeder liet de jongens vrij zodat zij zich van heel jong af konden overgeven aan hun beider passie, de tekenkunst. In 1912 volgde Pieck een tekenopleiding in Den Haag, daarna lessen aan de Rijksacademie in Amsterdam. Volgens Anton was zijn broer een geniaal artiest, een groter kunstenaar dan hij zelf. Enkele malen sprak hij er zijn teleurstelling over uit dat Han zo weinig gebruik had gemaakt van zijn grote talent. Tot zijn 24ste jaar leefde Pieck, een joviale, gulle, impulsieve en soms naïeve man, het onbekommerde bestaan van een succesvol schilder. Hij had in die jaren, zoals hij later zelf zei, een grote belangstelling voor het artistieke en mondaine leven van 'Nes en Zeedijk'. Een ontmoeting in 1922 met Piet Mondriaan betekende een keerpunt in zijn leven. Hij kwam door die kennismaking tot het inzicht dat de manier waarop hij de beeldende kunsten beoefende, achterhaald was en geen bijdrage aan de strijd van de arbeidersbeweging was. Hij stopte met het maken van 'vrije' kunst en richtte zich op de 'toegepaste'. Hij werd een van Nederlands produktiefste reclametekenaars (onder meer affiches) en boekillustratoren. In politiek opzicht was een reis in 1919 naar Hongarije zeker van even groot belang voor de rest van zijn leven. In dat jaar nodigde een oudere vriend, Simon de Vries, een freelance journalist, hem uit mee te gaan naar Boedapest. Later verklaarde Pieck zijn ommezwaai naar links uit zijn ervaringen tijdens de kortstondige radenrepubliek van Bela Kun. De waarheidsgetrouwe artikelen van zijn vriend werden door The Times niet geplaatst. Vermoedelijk zijn de eerste contacten tussen functionarissen van de Communistische Internationale en Pieck tijdens dit verblijf in Hongarije gelegd. Veel van Piecks leven speelde zich daarna achter de schermen af. Dat hij lid werd van de Communistische Partij in Nederland (CPN) is waarschijnlijk. In ieder geval sympathiseerde hij met de beweging. Alex de Leeuw, Leo van Lakerveld en de beeldhouwer Hildo Krop waren in de jaren twintig en dertig huisvrienden. Een blijvende vriendschap ontstond ook met mr. Simon de Jong, de eerste echtgenoot van Bernie van Lier en een bekend strafpleiter voor communisten. Tijdens de hongersnood in de Sovjet-Unie van 1921 maakte Pieck, staande op een handkar, sneltekeningen. De opbrengst was voor de hulp aan Rusland. In de jaren twintig maakte Pieck tekeningen voor het dagblad De Tribune en illustreerde uitgaven van de Roode Hulp. In mei 1929 verbood de Gorkumse politie een nummer van De Tribune vanwege een prent van Pieck die een Indonesische arbeider toont wiens mond wordt gesnoerd door het kolonialisme. De redactie maakte niet bekend wie de tekenaar was maar uit de signering die hij vaker toepaste (de initialen H en P die een hamer en sikkel vormen) was voor insiders duidelijk wie de prent had gemaakt. In 1929 maakte Pieck, die lid was van het Genootschap Nederland-Nieuw Rusland een reis met onder anderen Apie Prins, de architect H.P. Berlage, de journalist Philip Mechanicus, de econoom Herman Frijda en de Leidse studente in de Russische en Franse taal Frenny de Graaff naar de Sovjet-Unie. Hij schreef er een dik boek over onder de titel Zwart en wit uit het Roode Rusland (Amsterdam 1930). Het is een saai, kritiekloos verslag, uitgegeven door Scheltens & Giltay. Of Pieck, die helemaal geen schrijver was, het boek zelf schreef is twijfelachtig. Mogelijk deed Johan Visscher dat. Enige naam kreeg Pieck door het illustreren van tientallen kinder-, meest meisjesboeken voor Becht, Kluitman, Valkhoff en Co. en andere uitgevers. Hij maakte ook de tekeningen voor De klas van twaalf (Baarn 1926) van Carry van Bruggen die hij persoonlijk kende. Voor het boek van de Amsterdamse arts dr. P.J. de Bruïne Ploos van Amstel De prostitutie door alle eeuwen (1928) gebruikte hij illustraties die hij tijdens een verblijf in Egypte (1920) had gemaakt. Pieck, die ook affiches maakte, Pietje Bell-boeken illustreerde en kalenders vervaardigde, nam zijn werk weinig serieus. Naar het oordeel van zijn broer, die zich eraan stoorde dat hij soms simpel met Pieck signeerde, flodderde de tweelingbroer het werk af. Over het illustreren van een kinderboek deed hij een dag. Als het manuscript 's morgens binnenkwam, kon het 's avonds mét de illustraties worden teruggestuurd naar de uitgever. Het honorarium daarvoor lag gemiddeld op tweehonderd gulden 'en dan konden we weer een hele tijd vooruit', vertelde zijn vrouw later. Eind jaren twintig, begin jaren dertig tekende Pieck minder en richtte zich meer op binnenhuisarchitectuur en het ontwerpen en inrichten van tentoonstellingsgebouwen.

Omstreeks 1930 ging Pieck voor een geheime dienst uit de Sovjet-Unie werken. Waarschijnlijk begon hij met kleine opdrachten en ontwikkelde dat werk zich tot een fulltime agentschap. Van zijn chefs zijn Samuel Ginsberg (alias Walter Krivitsky) en Ignace S. Poretsky (alias Ignace Reiss) bekend geworden. Vooral voor Reiss koesterde het echtpaar Pieck grote sympathie. Er waren meer Nederlandse communisten die koeriersdiensten voor een geheime dienst uit de Sovjet-Unie verrichtten maar de Piecks waren volgens de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) - die tot in de jaren zeventig geïnteresseerd bleef in de samenstelling van het vooroorlogse 'netwerk' - de enigen die dit werk fulltime deden en hun leven volkomen ondergeschikt maakten aan de opdrachten van Moskou. Begin jaren dertig verhuisde Pieck naar Genève. Hij nam zijn oude beroep als schilder weer op, maar nu als dekmantel. Als artiest moest hij van Reiss in contact proberen te komen met Britse diplomaten die bij de Volkenbond werkten. Via hen moest hij aan politieke informatie komen die voor de Sovjet-Unie van belang was. Dat lukte Pieck. Hij schilderde behalve exotische dames ook diplomaten met wie hij bevriend was geraakt. Een van de Britse diplomaten, John Herbert King, geloofde Piecks verhaal dat deze een vriend had die bankier was en wel voor informatie wilde betalen. King werd pas in 1939 gearresteerd en veroordeeld. Toen King in 1934 naar Londen werd overgeplaatst, volgde Pieck hem. Een van de opdrachten die Pieck met succes uitvoerde, betrof de aankoop tijdens de Spaanse burgeroorlog van vliegtuigen in Griekenland voor de wettige regering in Madrid. In de zomer van 1937 brak Reiss, diep teleurgesteld door Stalins misdaden, met Moskou. Hij schreef een brief aan het Centraal Comité van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie, waarin hij zijn besluit kenbaar maakte en aankondigde zich te zullen aansluiten bij de aanhangers van Leo Trotski. Enkele maanden later werd Reiss in de buurt van Lausanne door voor Moskou werkende huurmoordenaars vermoord. Kort daarop besloot ook Krivitsky die in Den Haag als Oostenrijks antiquair had geleefd, met Moskou te breken. Hoe Pieck deze gebeurtenissen beoordeelde, is nooit duidelijk geworden. Volgens zijn weduwe beschouwde hij de dood van Reiss als een bedrijfsongeval, een misverstand. Hij zelf werd waarschijnlijk als medewerker van twee 'overlopers' voor het geheime werk uitgeschakeld. Intussen stelde hij in het begin van de oorlog zijn atelier ter beschikking voor de vervaardiging van De Vonk, de Haagse editie van De Waarheid. Voor dat illegale werk werd hij gearresteerd en via de strafgevangenis in Scheveningen en het kamp Amersfoort in 1941 naar Buchenwald gestuurd. Ook in gevangenschap bleef Pieck een onverbeterlijk optimist die voor zijn medelotgenoten vaak een grote steun en hulp was. Zijn tekentalent was hem behulpzaam bij het overleven. Zijn redding was dat de Sicherheitsdienst niets wist van zijn vooroorlogse activiteiten voor de Sovjet-Unie.

Pieck die in Buchenwald als communist deel uitmaakte van de illegale kampleiding, kwam schijnbaar ongebroken uit gevangenschap terug naar Nederland. Hij had grote verwachtingen van de politieke vernieuwing die hij noodzakelijk achtte. Een progressieve volkspartij van communisten, sociaal-democraten en burgerlijke radicalen had zijn steun. Hij ijverde daar in Buchenwald al voor. Dat hij nog steeds grote sympathie had voor de Sovjet-zaak bleek uit het feit dat hij kort na zijn eigen bevrijding bij de Sovjet-ambassade aanbood zijn vooroorlogse spionagewerk te hervatten. Moskou ging op het aanbod niet in. Pieck nam het beroep weer op dat hij ook voor de oorlog had uitgeoefend, dat van tentoonstellingsarchitect. Hij richtte onder meer de tentoonstelling De Nederlandse vrouw in die in 1948 aan koningin Wilhelmina werd aangeboden ter gelegenheid van haar vijftig-jarig jubileum. Schilderen deed hij nog maar zelden. Een verzoek actief te worden voor de CPN had hij in 1945 al genegeerd. De Piecks leidden gaandeweg een geïsoleerd bestaan. De vrienden van vroeger waren er niet meer en, wat nog zwaarder woog, niemand wist of mocht weten welk werk de Piecks vóór de oorlog voor Moskou hadden verricht. Dat hij er toch graag over wilde praten - enig snobisme was hem niet vreemd - bleek toen hij een ambtenaar van de BVD tijdens vele gesprekken, gespreid over vele jaren vertelde wat hij zich herinnerde van zijn vooroorlogse activiteiten. Omstreeks 1950 ging de lichamelijke en geestelijke toestand van Pieck achteruit. Tot werken was hij steeds minder in staat. Soms begon hij met een portret maar dan kwam het niet af. Tegen Elsa Poretsky, de weduwe van Reiss, zei hij: 'Ik kan niet meer scheppen, alleen maar reproduceren; een kleurenfoto is net zo goed, en misschien zelfs wel beter'. Kort na de oorlog werden van hem twee mappen tekeningen uitgegeven, Buchenwald en Verwoest Nederland, waarvan vooral de eerste veel indruk maakte. Het was een van de weinige momenten dat hij, zoals hij het zelf uitdrukte, op papier nog iets te zeggen had. Omstreeks 1955 was zijn geloof in de Sovjet-Unie verdwenen. Tegen Jan Kassies, met wie hij in Scheveningen gevangen had gezeten, zei hij: 'Wat zijn wij verschrikkelijk bedrogen, Jan'. Toen in 1956 de Hongaarse revolutie door Russische tanks werd neergeslagen, hing hij in zijn tuin aan de Scheveningse Duinroosweg de vlag halfstok. Tijdens zijn crematie werd op zijn verzoek Russische treurmuziek gespeeld. Behalve door een advertentie van de familie werd van zijn dood in 1972 melding gemaakt door de Stichting Oranjehotel waarvan hij vice-voorzitter was. De Stichting roemde zijn grote hulpvaardigheid en diep menselijk begrip. Pieck was geen politicus en nog veel minder een theoreticus. In de historische kanten van een vraagstuk verdiepte hij zich niet. Van de kranten las hij alleen de koppen. Dat hij zijn spionagewerk zo lang kon volhouden zonder dat zijn omgeving het merkte, kwam ook door zijn grote charme. Iedereen vond hem aardig en innemend. Vijanden had hij niet. Voordat in 1989 het boek De GPOe op de Overtoom uitkwam, waarin de levens van de Sovjet-spionnen Reiss, Krivitsky en Pieck centraal staan, dacht menig kunstbroeder van Pieck dat hij in de politiek ter rechterzijde stond of op zijn minst a-politiek was. Zelfs zijn tweelingbroer wist van zijn spionage-activiteiten niets af.

Archief: 

Archief Henri Pieck in IISG (Amsterdam). Werk van H.C. Pieck is bewaard gebleven in het Stedelijk Museum (Amsterdam, affiches), het IISG (Amsterdam), het Oorlogs- en Verzetsmuseum (Overloon, tekeningen Buchenwald en Verwoest Nederland) en het Centraal Museum (Utrecht, portret van dr. E. Mulder).

Literatuur: 

W.G. Krivitsky, Dat heb ik gezien! (Amsterdam 1940); J.M. Prange, 'Een kunstenaar in Buchenwald', in: Vrij Nederland, 1.12.1945; A.J. Koejemans, Van 'ja' tot 'amen' (Amsterdam 1961); 'Van een bijzondere medewerker', De lange rode arm' in: Elseviers Weekblad, 20.7.1963 (betreft Joop Zwart); I. Cornelissen, 'Het zakboekje van Reiss' in: Vrij Nederland, 24.9.1966; G.J.M. van het Reve, Mijn rode jaren (Utrecht 1967); Sj. Rodermond, 'Daan Goulooze de man die Paul de Groot de baas was' in: De Telegraaf, 23.9.1968; E.K. Poretsky, Our Own People: A Memoir of 'Ignace Reiss' and his Friends (Londen 1969); J. Büttinghausen, '75 jaar (kunst)broeders. Veelzijdige tweeling vertoont overeenkomsten en verschillen' in: Arts en auto, 18.4.1970; G. Brook-Shepherd, The Storm Petrels (Londen 1977); P. Wright, Spycatcher (New York 1987); I. Cornelissen, 'Han Pieck de onbekende tweelingbroer' in: Catalogus voor de overzichtstentoonstelling van Han Pieck in Literair Cafe 'In de Sinnepoppen' Zwolle, oktober 1989; I. Cornelissen, De GPOe op de Overtoom. Spionnen voor Moskou 1920-1940 (Amsterdam 1989).

Portret: 

H.C. Pieck, uit: I. Cornelissen, De GPOe op de Overtoom (Amsterdam 1989)

Auteur: 
Igor Cornelissen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 221-225
Laatst gewijzigd: 

11-04-2011