LAZARUS, Betje

Betje Lazarus

(ook bekend onder de naam De Beer-Lazarus), vakbondsbestuurster en drankbestrijdster, is geboren te Amsterdam op 27 maart 1870 en aldaar overleden op 22 maart 1933. Zij was de dochter van Lion Lazarus, banketbakker, en Esther de Jong. Op 3 november 1897 trad zij in het huwelijk met Jaques de Beer, fabrikant en koffiehuishouder, met wie zij een dochter kreeg.

Toen Lazarus in 1895 voor het eerst in de openbaarheid trad, was zij 25 jaar oud en al langer dan zeven jaar werkzaam als roosjessnijdster in de diamantindustrie. Wanneer en waar zij dat vak had geleerd, is niet bekend, evenmin wat haar schoolopleiding was. Dat zij op zijn minst had geprofiteerd van het openbaar lager onderwijs dat na 1857 ook de norm was geworden voor meisjes als zij, die opgroeiden in de oude Jodenbuurt in Amsterdam, is af te leiden uit het feit dat zij goed Nederlands schreef. Dit in tegenstelling tot haar in 1845 in diezelfde buurt geboren en getogen moeder, die haar eigen huwelijksakte met ongeoefende hand tekende. Lazarus was het oudste kind van het gezin en had een bijna twee jaar jongere zuster, Sophia, en een vijf jaar jongere broer, Marcus, terwijl drie andere zusjes op jonge leeftijd overleden. Haar vader kwam uit Kampen, was als banketbakkersknecht begonnen en had later een eigen zaak. Dat Lazarus op een avond in december 1895 als eerste vrouw een vraag stelde op een openbare vergadering van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB), baarde veel opzien. ‘Hoe, een gewoon meisje, een roosjessnijdster nog wel, dorst op een vergadering iets te zeggen! Iets buitengewoons was gebeurd en het feit werd druk besproken’, zo herinnerde zij het zich later. Die vergadering was een initiatief van de nieuwe voorzitter van de briljantsnijdersafdeling van de ANDB, Dolf de Levita, om zoveel mogelijk diamantsnijders en -snijdsters lid te maken. Apart voor de snijdsters organiseerde hij in februari 1896 een cursusvergadering met Dora Schook-Haver, die sprak over ‘De positie der vrouw in de maatschappij, de rechtspositie der vrouw en de vrouw als arbeidster in de diamantindustrie’. De feministe legde uit dat vrouwen te lijden hadden onder vooroordelen die maakten dat hun arbeid ten onrechte minder werd gewaardeerd dan die van mannen en daarom ook slechter werd betaald. Ze spoorde vrouwen aan om voor hun eigen belangen op te komen en zich te organiseren. Daaraan gaf Lazarus gevolg met een oproep ‘Aan de Roosjessnijdsters’, die op 28 februari 1896 in het Weekblad van de ANDB verscheen. Haar zuster en zij hadden al vaker, maar tevergeefs geprobeerd hun collega-roosjessnijdsters over te halen zich te verenigen en nu probeerden ze het nog één keer: ‘Wij zullen de eersten zijn. Wie volgt ons voorbeeld?’. Zo werd op 3 juni 1896 de Roosjessnijdsters- en -snijdersvereeniging (RSSV) opgericht met Lazarus als ‘presidente’ en haar zuster Sophie als ‘secretares’. Ook de drie andere leden van het voorlopig bestuur waren vrouwen, net als de overgrote meerderheid van de leden. Voor een vakvereniging was dat hoogst ongebruikelijk, maar in dit geval niet vreemd, want er waren nauwelijks nog mannen werkzaam in het roosjessnijden. Die eerste jaren bleek het moeilijk om de leden vast te houden en van de RSSV een bloeiende vereniging te maken, maar de zusters Lazarus hielden vol. Ook gingen ze in op het aanbod van Henriette van der Meij, journaliste en voormalig lerares, om een cursus te organiseren waar diamantsnijdsters algemene ontwikkeling konden opdoen. Die zogenaamde ontwikkelingsclubs werden een groot succes en stonden aan het begin van het latere scholingswerk voor alle ANDB-leden.

Samen met een Amsterdamse briljantsnijdster namen de zusters Lazarus in september 1897 als de enige drie vrouwen tussen ruim veertig mannen deel aan het internationale diamantbewerkerscongres in Antwerpen. Daar werden zij door de Belgische organisatoren speciaal gefêteerd. Na aankomst liepen de mannen met hun vaandels in optocht door de stad naar de vergaderzaal, terwijl de vrouwen in een van de rijtuigen zaten die voorop reden. Tijdens het congres kreeg Betje Lazarus veel bijval voor haar oproep aan de Antwerpse diamantsnijders om niet langer te proberen vrouwen uit het vak te weg te krijgen, maar te streven naar gelijke beloning van vrouwen en mannen. Eind 1897 trad zij af als voorzitter van de RSSV, omdat ze niet langer in de diamantindustrie werkte. In juni was ze namelijk een geheelonthouderscafé aan het Rembrandtplein begonnen, samen met Jac de Beer, de man met wie ze enkele maanden later trouwde. Hij had aan het Waterlooplein gewoond, enkele huizen verwijderd van het adres waar zij was geboren en de eerste jaren van haar leven had doorgebracht (toen het nog de Houtgracht was). Haar vader had in 1891 zijn latere schoonzoon, toen nog ‘vleeschhouwer’ van beroep, voorgedragen als lid van Handwerkers Vriendenkring, waaruit blijkt dat de gezinnen Lazarus en De Beer elkaar goed kenden. Het Geheelonthouders-Café van het paar was eerst gevestigd op Rembrandtplein 23 en later op nummer 10. Het werd een bekend adres voor vakbondsvergaderingen, maar ook in de Amsterdamse afdeling van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP), waarvan De Beer al snel lid werd. Zij zou hem daarin later volgen. Of hij ook degene was die haar had gewonnen voor de geheelonthoudersbeweging is niet bekend. Lazarus’ overtuiging was zo sterk dat ze bij de feestelijke openingsontvangst van het diamantbewerkerscongres in Antwerpen onverschrokken het woord had gevraagd om ertegen te protesteren dat er wijn werd geschonken bij een congres van ‘bewuste arbeiders’. Henri Polak, als voorzitter van de ANDB de leider van de grote Amsterdamse delegatie, was dermate onaangenaam getroffen door haar optreden dat hij er meteen openlijk afstand van nam.

De vrouwenzaak liet Lazarus intussen niet los. Nadat haar zuster Sophie het voorzitterschap van de RSSV eind 1897 erbij had genomen omdat er nog geen andere opvolgster was gevonden, bleef zij nog een jaar de vergaderingen leiden. Ook deed zij mee aan de voorbereidingen van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in Den Haag in 1898, waarvoor ze samen met Polak de inzending verzorgde die in de Industriezaal het werk van vrouwen in de diamantindustrie moest laten zien door een viertal vrouwen ter plekke diamanten te laten bewerken. Voor Lazarus werd de tentoonstelling een desillusie. Er ontstond een conflict over de financiering van de inzending tussen enerzijds Polak en anderzijds Marie Jungius en de andere leden van de commissie die verantwoordelijk was voor de Industriezaal. Omdat het overeengekomen loon niet langer werd uitbetaald, verlieten de diamantbewerksters voortijdig de tentoonstelling. Zij hadden al eerder geprotesteerd tegen  het regime in de Industriezaal. De arbeidsters daar mochten hun lunchpauze niet naar eigen inzicht besteden, omdat ze onder toezicht van de opzichteres moesten blijven ter voorkoming van ‘onzedelijkheid’, een verondersteld gevolg van contact met mannen. Lazarus trok uit haar ervaringen tijdens de Tentoonstelling de conclusie dat er van samenwerking tussen vrouwen uit verschillende klassen niets terecht kon komen, zolang arbeidsters door goedbedoelende vrouwen zoals de organisatrices van de Industriezaal niet werden behandeld ‘als gelijkberechtigde wezens, maar als inférieuren en in de goede gevallen als kindertjes van de moedertjes commissieleden en opzichteressen’. Ze hekelde ‘die eeuwig dwaze en aanmatigende meening van te moeten beschermen en oppassen en waken over die arme sukkels’, die in dit geval ook nog eens gepaard ging met een gebrek aan inlevingsvermogen in de situatie van diamantbewerksters, die wel hadden gewerkt maar door een conflict waar zij buiten stonden er niet voor kregen betaald.

In 1899 was Lazarus lid van de Amsterdamse SDAP-afdeling, net als haar mede-RSSV-activistes en veel andere ANDB-leden in en rond de Jodenbuurt. Haar leven veranderde in 1900 echter drastisch doordat ze samen met haar man uit die vertrouwde omgeving naar Zaandam verhuisde. Daar was al eerder op zijn naam een geheelonthouderscafé onder de naam ‘de IJsbeer’ geopend dat werd beheerd door haar vader, die zijn banketbakkerszaak met ijssalon aan de Jodenbreestraat had opgegeven. Het café aan het Rembrandtplein bleef bestaan, maar werd nu gedreven door haar broer Marcus en haar schoonzuster, Sara Coltof. In Zaandam werd Lazarus behalve in de geheelonthoudersbeweging ook actief in de plaatselijke SDAP-afdeling, die na de komst in 1902 van Maurits Mendels, die ook actief geheelonthouder was, snel groeide. In juli 1903 beviel ze van een dochter, Etha. Dat gebeurde niet thuis in Zaandam, maar in de Rijkskweekschool voor vroedvrouwen in Amsterdam. De reden daarvoor was dat de aangezochte kraamverpleegster van de kruisvereniging zich op het laatste moment had teruggetrokken nadat ze had gehoord dat in café ‘de IJsbeer’ veel socialistische vergaderingen werden gehouden.

Een jaar later, ze was 34, kreeg Lazarus het zwaar. Haar moeder overleed en mogelijk daardoor kon haar vader het niet meer bolwerken in het café. Het gezin verhuisde met hem terug naar Amsterdam en opende in de Ruyschstraat, in een buurt met nieuwe, betere woningen waar inmiddels veel diamantbewerkers uit hun oude buurt waren heengetrokken, een geheelonthouderscafé, annex fabriek van alcoholvrije dranken. Het werd een mislukking en er kwam een nieuw café, nu aan de Linnaeusstraat, dat evenmin goed liep. Ook haar man was kennelijk niet meer in staat om te werken, zodat Lazarus alleen stond voor het levensonderhoud van dochter, vader en man. Zij pakte haar oude beroep van roosjessnijdster weer op, waarvoor het gezin eind 1906 weer naar de Jodenbuurt verhuisde. Om de eindjes aan elkaar te knopen hadden ze ook nog tijdelijke inwoning van familieleden, onder meer van haar zuster met haar twee zoontjes. Ook Sophie was, na het stuklopen van haar huwelijk met de socialistische uitgever Bram Soep, weer als roosjessnijdster aan de slag gegaan. De situatie zal niet gemakkelijk zijn geweest, want Lazarus’ man werd uiteindelijk in 1911 opgenomen in de Joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch, waar hij anderhalf jaar later, op 44-jarige leeftijd, overleed. Terwijl de Amsterdamse diamantindustrie in een zware crisis verkeerde, begon Lazarus, die in 1914 vaak geen werk kon vinden, begin 1915 (haar dochter was bijna 12) een nieuw bedrijf. Samen met haar broer en schoonzus, die het geheelonthouderscafé aan het Rembrandtplein opgaven, opende ze een alcoholvrije lunchroom aan het Damrak, tegenover de Beurs, opnieuw ‘de IJsbeer’ geheten. De ‘weduwe B. de Beer-Lazarus’ adverteerde regelmatig in de socialistische pers voor de lunchroom, die tien jaar heeft bestaan. Toen sloeg het onheil opnieuw toe. Haar schoonzuster Sara Coltof overleed plotseling en in april 1925 werd Lazarus, net als haar broer, failliet verklaard. Wel was ze er de afgelopen jaren in geslaagd haar dochter een goede opleiding te bezorgen. Etha de Beer was assistent-accountant toen ze in 1926 trouwde met Abraham Smalhout, kantoorbediende in een wolhandel. Het jonge paar betrok een woning in de Rivierenbuurt, waar Lazarus bij hen zou inwonen tot haar overlijden in 1933 op bijna 63-jarige leeftijd. Dat zij ooit samen met haar zuster initiatiefneemster was geweest van de eerste succesvolle vakbond van arbeidsters in Nederland, was toen al in de vergetelheid geraakt. In de uitvoerige geschiedschrijving over de ANDB is, na het gedenkboek van C.A. van der Velde uit 1925, de naam Lazarus nauwelijks genoemd.

 

Publicaties: 

600 Vrouwen’ in: Weekblad van den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond, 18.11.1904; ‘De eerste naaisterspropagandiste’ in: Het Volk, 18.4.1907.

Literatuur: 

‘Diamantbewerkerscongres I-IV’ in: Het volksdagblad, 21-24.9.1897; C.A. van der Velde, De A.N.D.B. Een overzicht van zijne ontstaan, ontwikkeling en beteekenis, Amsterdam 1925, 93-94, 283; S. Bloemgarten, Henri Polak sociaal democraat 1868-1943 (Den Haag 1993) 137, 341; M. Grever en B. Waaldijk, Feministische openbaarheid. De Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898 (Amsterdam 1998) 93-98; U. Jansz, ‘De Roosjessnijdsters- en -snijdersvereniging 1896-1902’, gepubliceerd in: Het geheugen van de vakbeweging, 1.10.2015: www.vakbondshistorie.nl/dossiers/article/de-roosjessnijdsters-en-snijder... U. Jansz, ‘Women workers contested. Socialists, feminists and democracy at the National Exhibition of Women’s Labour in The Hague, 1898’ in: Jaarboek voor vrouwengeschiedenis, nr. 35 (Amsterdam 2015) 69-85.

Portret: 

Betje Lazarus op groepsfoto Internationaal Diamantbewerkers Congres 1897, Antwerpen (IISG).

Handtekening: 

Huwelijksakte van de Beer/Lazarus dd 3 november 1897. Reg 34 fol 8, akteplaats Amsterdam.

Auteur: 
Ulla Jansz
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA Online, juli 2016