KUIJPER, Abraham

Abraham Kuijper

(bijnaam: Abraham de Geweldige), sociaal denker en anti-revolutionair politicus en staatsman, is geboren te Maassluis op 29 oktober 1837 en overleden te Den Haag op 8 november 1920. Hij was de zoon van Jan Fredrik Kuijper, Nederlands hervormd predikant, en Henriette Huber. Op 1 juli 1863 trad hij in het huwelijk met Johanna Hendrika Schaaij, met wie hij drie dochters en vijf zoons kreeg. Kuijper schreef zijn naam als Kuyper. In De Standaard tekende hij met drie sterretjes.

Kuyper was een veelzijdig man: theoloog (predikant, hoogleraar aan de door hem gestichte Vrije Universiteit in Amsterdam, kerkelijk voorman), politicus (Kamerlid, partijleider, ministerpresident) en journalist (hoofdredacteur van het kerkelijk weekblad De Heraut en vanaf de oprichting in 1872 tot kort voor zijn dood, met enkele onderbrekingen, van het dagblad De Standaard). De basis van zijn denkbeelden over de inrichting van de maatschappij werd gevormd door de orthodox-protestantse geloofsovertuiging, die hij na een theologische studie in moderne geest te Leiden in zijn eerste standplaats als predikant, het Betuwse Beesd, omstreeks 1865 aannam. Hier kwam hij tot het besluit zich in te zetten voor de eenvoudige gereformeerden. Vanaf deze tijd voegde Kuyper zich met zijn sociale en politieke denkbeelden en optreden in de tegenstroom, die zich keerde tegen de beginselen van de Franse revolutie en zich in Nederland als 'anti-revolutionair' aandiende. Waren Verlichting en Rationalisme uitgegaan van het zelfstandige individu als basis van de samenleving, onder andere vanuit de Romantiek was hierop een reactie gevolgd. Deze legde de nadruk op de het individu overkoepelende verbanden en beschouwde de maatschappij als een organisme. De organische maatschappijbeschouwing berustte op een vergelijking van de maatschappij met de levende natuur. Net als de natuur zou de maatschappij uit op elkaar betrokken organen bestaan en aan groei en ontwikkeling onderhevig zijn. Vanuit dit algemene denkkader ontwikkelde Kuyper de in hoge mate originele gedachte van 'soevereiniteit in eigen kring'. Hierbij ging het om zijn overtuiging dat er verschillende kringen bestonden zoals die van de kunst, de wetenschap, van het huiselijke, het zedelijke en het maatschappelijke, die alle van God een eigen levenswet hadden ontvangen. Deze kringen waren soeverein, dat wil zeggen dat daarbinnen de levenswet richtinggevend moest zijn en de staat in principe geen zeggenschap had. De staat vormde een eigen kring met een eigen taak: rechtsbedeling en wetshandhaving. Ingrijpen binnen een kring mocht de staat slechts in een bijzondere situatie, namelijk wanneer er in die kring van een zodanige desorganisatie sprake was dat het individu in de knel dreigde te komen. Na Beesd was Kuyper (orthodox-)hervormd predikant te Utrecht en vervolgens te Amsterdam. Met zijn eerste brochures mengde hij zich in de kerkelijke strijd van die dagen. In 1874 werd hij, nadat hij inmiddels met De Standaard ook op politiek terrein van zich had doen spreken, als anti-revolutionair in de Tweede Kamer gekozen. Hij legde toen zijn predikantsambt neer. Zijn 'maidenspeech' hield hij bij de behandeling van het initiatief-wetsontwerp van mr. Sam van Houten inzake de kinderarbeid. Hoewel Kuyper met Van Houten overtuigd was van de onwenselijkheid van fabrieksarbeid door kinderen en deze als een zedelijk kwaad, zelfs een misdaad beschouwde, verklaarde hij toch zijn steun aan Van Houtens ontwerp niet te kunnen geven omdat het uitging van een verkeerd principe van wetgeving. Sociale wetgeving zou volgens hem moeten aansluiten bij de sterk uiteenlopende omstandigheden in de verschillende bedrijfstakken. Met andere woorden, nauwkeurig onderzoek zou aan zulke wetgeving vooraf moeten gaan. Alleen op deze wijze zou de overheid als dienares van de maatschappij kunnen optreden. In Van Houtens voorstel daarentegen overheerste de overheid de maatschappij. Toen Kuyper voor een amendement in deze geest onvoldoende steun kreeg, stemde hij tegen het hele wetsontwerp dat niettemin met 64 tegen zes stemmen werd aangenomen. Kuypers eerste zittingsperiode in de Kamer was niet erg succesvol. In 1876 viel hij aan een ernstige psychische inzinking ten prooi, in 1877 verliet hij de Kamer. Dit betekende niet het einde van zijn politieke activiteit, want hij speelde een leidinggevende rol bij het petitionnement tegen de schoolwet van J. Kappeyne van de Coppello in 1878, die een verslechtering inhield van de positie van het christelijk lager onderwijs. Uit deze petitionnementsactie kwam het jaar daarop de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) voort. Kuyper had hiervoor het program met zeer uitvoerige toelichting geschreven (Ons Program, Amsterdam 1879) en werd hiervan de volgende veertig jaar de onbetwiste leider.

De jaren tachtig stonden voor Kuyper voornamelijk in het teken van de universitaire en kerkelijke actie (1880: opening van de Vrije Universiteit; 1886: Doleantie, waaruit in 1892 de Gereformeerde Kerken in Nederland zouden voortkomen), terwijl in de jaren negentig de sociale vraagstukken weer volop zijn aandacht vroegen. Het was Kuyper die aan het Nederlandsch Werkliedenverbond Patrimonium voorstelde een Sociaal Congres te beleggen, als alternatief voor de binnen dit verbond opgekomen wens een eigen sociaal program op te stellen. Hij vreesde dat dit Patrimonium van de ARP los zou maken en misschien zelfs in aanraking met de socialisten zou brengen. Op het Christelijk Sociaal Congres van november 1891 sprak Kuyper de openingsrede uit die bekend geworden is, minder om de concrete oplossingen voor het sociale vraagstuk die hij erin aanwees dan om de indrukwekkende wijze waarop hij de onhoudbaarheid van de bestaande maatschappelijke verhoudingen aantoonde. Hij leverde 'architectonische kritiek' op de liberaal-kapitalistische maatschappij-inrichting. Zijn uitspraak dat de oplossing op de socialistische weg gevonden zou moeten worden, heeft aanleiding gegeven tot misverstand en sommige protestanten ertoe gebracht zich bij hun keuze voor enigerlei vorm van socialisme op Kuyper te beroepen. Op deze uitspraak liet Kuyper echter volgen niet het programma van de sociaal-democratie op het oog te hebben, maar onder socialistisch te willen verstaan 'een van God gewilde gemeenschap, een levend menschelijk organisme,' zodat zijn oplossing eerder organisch dan socialistisch in de gewone zin des woords moet worden genoemd. Organisch was ook zijn oplossing voor het kiesrecht dat tot het brandende vraagstuk van de jaren negentig werd. Toekenning van het kiesrecht moest volgens de ARP geschieden aan de kleinste organische eenheid in de samenleving, het gezin, vertegenwoordigd door zijn hoofd, de (huis)man. Toen mr. J.P.R. Tak van Poortvliet in 1892 met zijn voorstel tot verregaande kiesrechtuitbreiding kwam, meende Kuyper dat dit, hoewel het zeker niet het gewenste huismanskiesrecht bracht, toch gesteund moest worden, omdat dit het huismanskiesrecht zover als maar onder de grondwet van 1887 mogelijk was benaderde. Anderen binnen de ARP wezen echter Taks voorstel als ongrondwettelijk van de hand. De belangrijkste onder hen was jonkheer mr. A.F. de Savornin Lohman, sinds 1879 leider van de anti-revolutionaire Tweede Kamerclub. De uitkomst van deze onenigheid was een scheuring in de ARP. Na de verkiezingen van 1894 vormden zich twee anti-revolutionaire Kamerclubs, één onder leiding van Kuyper en één onder leiding van Lohman. Ter onderscheiding noemde de laatste zich 'vrij-anti-revolutionair'. Zij zou uiteindelijk in 1908 in de Christelijk-Historische Unie opgaan.

Tijdens zijn tweede periode als Kamerlid, vanaf 1894, ontwikkelde Kuyper zich tot de leider van de oppositie tegen de liberale kabinetten van het laatste decennium van de negentiende eeuw. Dit betekende dat hij de aangewezen man was om een kabinet te formeren toen de 'rechtse' partijen (katholieken en anti-revolutionairen van twee richtingen) bij de Kamerverkiezingen van 1901 in de meerderheid kwamen. Afgezet tegen Kuypers radicale uitspraken over de sociale kwestie uit de jaren negentig en zijn compromisloze opstelling inzake het kiesrechtvraagstuk, droeg het door hem samengestelde kabinet een opvallend conservatief karakter. Kuyper had een afzonderlijk departement van Arbeid willen vormen met zichzelf aan het hoofd daarvan om zich geheel aan de sociale wetgeving te kunnen wijden. Maar toen zijn formatie dreigde te stranden op het ontbreken van een geschikte kandidaat voor Binnenlandse Zaken, moest hij zelf dit departement nemen, waaronder 'Arbeid' bleef ressorteren evenals 'Onderwijs'. Van Kuypers plannen om de sociale wetgeving een belangrijke stap vooruit te helpen is weinig terecht gekomen. Slechts de Mijnwet en de Caissonwet bereikten in deze kabinetsperiode (tot 1905) het Staatsblad. Een van de belangrijkste oorzaken hiervan was het niet-tot-stand-komen van een afzonderlijk departement van Arbeid, waardoor Kuyper zijn aandacht over verschillende terreinen moest verdelen. Daarbij kreeg onderwijswetgeving prioriteit boven sociale wetgeving omdat het onderwijsvraagstuk het natuurlijke bindmiddel tussen de partijen van 'rechts' vormde. Bovendien lag Kuypers kracht niet primair in concrete wetgeving en had hij, in overeenstemming met zijn al in 1874 uitgesproken overtuiging, in zijn sociale ontwerpen zoveel mogelijk willen aansluiten bij de verschillende omstandigheden in de diverse bedrijfstakken. Dit leidde tot zeer gecompliceerde wetsontwerpen. Ten slotte maakten ook de Raad van State en de Tweede Kamer geen grote haast bij de afdoening ervan. De spoorwegstakingen van 1903, ook wel genoemd als vertragende factor, speelden in dit geheel geen belangrijke rol omdat zij niet langer dan twee maanden de aandacht van het kabinet in beslag namen. Desondanks is de houding van het kabinet tegenover deze stakingen bepalend geweest voor Kuypers reputatie bij de socialistische arbeidersbeweging. Hij werd voorgesteld als de belichaming van de zwartste reactie, die door zijn stakingsverbod voor spoorwegpersoneel de tweede staking van april 1903 had geprovoceerd en daardoor duizenden arbeiders die in de nasleep daarvan ontslagen waren, in het ongeluk had gestort. In werkelijkheid was Kuyper ervoor geweest om tegenover het stakingsverbod voor spoorwegpersoneel de garantie van zijn arbeidsvoorwaarden door de overheid te plaatsen. Een meerderheid van het kabinet had dit echter niet gewild, waardoor het psychologisch gunstige moment dat de tweede staking mogelijk had kunnen voorkomen, voorbij gegaan was. Hier had zich dus het conservatieve karakter van het door Kuyper gevormde kabinet gewroken. De tekenaar Albert Hahn verwierf op slag nationale bekendheid met zijn prenten over de stakingen en de politieke gevolgen daarvan: 'Gansch het raderwerk staat stil', de 'Worgprent' en 'Onder de dwangwetten'. Van zijn portretten en karikaturen zijn die van Kuyper - Abraham de Geweldige - de bekendste gebleven. De stakingen leidden tot een ingrijpende wijziging in Kuypers opvattingen over de vakbeweging. Tot 1903 was hij van mening geweest dat er naast levensbeschouwelijk gekleurde arbeidersorganisaties met een primair zedelijk-opvoedkundige taak, algemene organisaties met een op het vak gerichte taak zouden kunnen bestaan. De stakingen leerden hem dat deze laatste onder socialistisch beslag waren gekomen en dat daardoor ook vakorganisaties op levensbeschouwelijke grondslag noodzakelijk waren geworden. De totstandkoming van het Christelijk Nationaal Vakverbond in 1909 kan hiervan niet los worden gezien. In socialistische kring was de verbittering over de afloop van de spoorwegstakingen buitengewoon groot. Deze verbittering richtte zich voor een groot deel tegen de persoon van Kuyper die dit door zijn onverzoenlijke uitlatingen ook wel over zich had afgeroepen. 'Weg met Kuyper' was de leuze waaronder de socialisten de verkiezingsstrijd van 1905 ingingen. De afkeer van Kuyper was zo groot dat socialistische arbeiders bij de herstemmingen zelfs de meest behoudende liberaal tegenover een confessioneel steunden. Mede hierdoor eindigden de verkiezingen in een nederlaag voor 'rechts' en moest het kabinet Kuyper plaats maken voor een liberaal minderheidskabinet. In feite was met deze verkiezingsnederlaag Kuypers rol in de Nederlandse politiek uitgespeeld. Wel hoopte hij nog als minister terug te keren om zijn program van sociale wetgeving af te kunnen ronden, maar toen het zwakke liberale kabinet eind 1907 ten val kwam, werd de formatie niet aan hem opgedragen - Kuyper had op dat moment geen zitting in de Tweede Kamer - maar aan mr. Th. Heemskerk. Ook bij de reorganisatie van het kabinet-Heemskerk na de 'rechtse' verkiezingsoverwinning van 1909 was er voor Kuyper - in 1908 tot minister van Staat benoemd - geen plaats weggelegd in de ministersploeg. Bovendien bracht de zogenoemde 'lintjes-affaire' hem in 1909 en 1910 in politieke moeilijkheden. Kern ervan vormden beschuldigingen in de pers dat een koopman die grote sommen geld in de ARP-kas gestort had, onder zijn ministerschap met een hoge onderscheiding was beloond. Tot 1912 had Kuyper - in 1908 tussentijds herkozen nog zitting in de Tweede Kamer, van 1913 tot 1920 was hij lid van de Eerste Kamer. In deze jaren kreeg de kiesrechtstrijd zijn beslag. Vooral het vraagstuk van het vrouwenkiesrecht stond in deze fase op de voorgrond. Kuyper verwoordde zijn visie ten aanzien van vrouwen in de brochure De Eerepositie der Vrouw (Kampen 1914). Hierin wees hij het vrouwenkiesrecht principieel van de hand. Toen echter in 1917 duidelijk was, dat het individualistische algemeen kiesrecht voor de deur stond, kwam hij tot de uitspraak dat 'juist het atomistisch stelsel [eist], dat de vrouw niet bij uitzondering, maar als regel op het kiesterrein overga. Moet de vrouw er met de man, en uit gelijke hoofde, optreden, dan zij het ook: alle mannen naast en bij alle vrouwen'. Uit pragmatische overwegingen stemde de ARP in 1917 voor de grondwetswijziging die de weg naar algemeen vrouwenkiesrecht opende. Wel bleef de partij, ook na Kuypers dood, zich nog zeer lang verzetten tegen vrouwelijke kandidaten voor vertegenwoordigende lichamen. Begin 1919 trad hij af als leider van de ARP. Aan het einde van dat jaar legde hij zijn hoofdredacteurschap van De Standaard neer. Begin november 1920 overleed hij.

Kuypers betekenis op sociaal terrein lag vooral op het gebied van de ideeënvorming. Op grond van een organische maatschappijbeschouwing en vanuit de basisgedachte van 'soevereiniteit in eigen kring' stelde hij als alternatief tegenover de socialistische klassenstrijdgedachte de georganiseerde samenwerking van werkgevers en werknemers. Aanvankelijk nam dit de vorm aan van een pleidooi voor Kamers van Arbeid, later gebruikte hij hiervoor het begrip bedrijfsorganisatie. Hiermee was hij een van de grondleggers voor de discussie over publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, die de gehele eerste helft van de twintigste eeuw zou voortduren. Kuypers betekenis voor de sociale wetgeving is geringer geweest doordat hij tijdens zijn ministerschap niet de praktische sociale hervormer heeft kunnen worden die hij had willen zijn. Als politicus was hij een grote, maar ook omstreden figuur, die bij zijn volgelingen gevoelens van diepe verering en onvoorwaardelijke trouw opriep maar bij zijn tegenstanders - aanvankelijk vooral de liberalen, later met name de socialisten - van afkeer en haat. Door de impulsen tot partijvorming en samenwerking tussen katholieken en orthodoxe protestanten die van hem uitgingen, heeft hij mede vorm gegeven aan het Nederlandse politieke bestel en bijgedragen aan de centrale plaats van de confessionele partijen daarin.

Archief: 

Archief A. Kuyper in Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme van de Vrije Universiteit (Amsterdam).

Publicaties: 

Behalve de genoemde: Het Sociale Vraagstuk en de Christelijke Religie. (Amsterdam 1891; heruitgave Kampen 1990, ingeleid door H.E.S. Woldring); De Christus en de Sociale Nooden en Democratische Klippen (Amsterdam 1895); Antirevolutionaire Staatkunde. (Kampen 1916-1917); Bibliografie in: J.C. Rullmann, Kuyper-bibliografie. 3 delen (Den Haag 1923-1940).

Literatuur: 

F. Domela Nieuwenhuis, De revolutionaire dr. A. Kuyper contra den reaktionairen minister Kuyper (Amsterdam z.j., 19032); L.M. Hermans, De schuldige zijt gij! (Rotterdam 1903); De ware schuldigen. (Amsterdam 1903); Dr. A. Kuyper in de caricatuur (Amsterdam 1909, herziene druk: Baarn 1937); H. Colijn, 'Levensbericht van Dr. A. Kuyper' in: Handelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1922-1923, 41-62; J.C. Rullmann, Abraham Kuyper (Kampen 1928); P.A. Diepenhorst, Dr. A. Kuyper (Haarlem 1931); A.J.C. Rüter, De spoorwegstakingen van 1903 (Leiden 1935); L. Vogel, Die politischen Ideen Abraham Kuypers und seine Entwicklung (Würzburg 1937); P. Kasteel, Abraham Kuyper (Kampen 1938); J. en A. Romein, 'Abraham Kuyper. De klokkenist der kleine luyden. 1837-1920' in: Erflaters van onze beschaving. Deel IV (Amsterdam 1940) 145-177; W.F. de Gaay Fortman, Architectonische critiek. Fragmenten uit de sociaal-politieke geschriften van dr. A. Kuyper (Amsterdam 1956); J. van Weringh, Het maatschappijbeeld van Abraham Kuyper (Assen 1967); A. Postma, 'Het ontwerp-Arbeidswet van het ministerie-Kuyper' in: Exercities in ons verleden. (Assen 1981) 89-106; O. Puchinger, 'Kuyper, Abraham' in: BWN II, 328-333; C. Augustijn, J.H. Prins, H.E.S. Woldring (red.), Abraham Kuyper. (Delft 1987); B. Kruithof, Zonde en deugd in domineesland. Nederlandse protestanten en problemen van opvoeding zeventiende tot twintigste eeuw (Groningen 1990); G. Puchinger, Abraham Kuyper. De jonge Kuyper (Franeker 1987); G.J. Schutte, Een arbeider is zijn loon waardig. Honderd jaar na Rerum Novarum en Christelijk Sociaal Congres 1891 (Den Haag 1991); M. Braun, De prijs van liefde. De eerste feministische golf, het huwelijksrecht en de vaderlandse geschiedenis (Amsterdam 1992); C.A.J. van Koppen, De Geuzen van de negentiende eeuw. Abraham Kuyper en Zuid-Afrika (Wormer 1992); J. van Gelderen (red.), Uitgever & auteur. J.H. Kok over Dr. A. Kuyper (Kampen 1994); G. Kuijpers, Abraham Kuyper over de mens (Dordrecht 1998); C. Augustijn, J. Vree, Abraham Kuyper: vast en veranderlijk. De ontwikkeling van zijn denken (Zoetermeer 1998); R. Kuiper, 'Een antirevolutionair afscheid van Duitsland. Abraham Kuyper (1837-1920) en Adolf Stoecker (1835-1909)' in: Tijdschrift voor Geschiedenis, 111, 1998, 220-243; F. Boterman, P. de Rooy, Op de grens van twee culturen (z.pl. 1999); J. van Genabeek, Met vereende kracht risico's verzacht. De plaats van onderlinge hulp binnen de negentiende-eeuwse particuliere regelingen van sociale zekerheid (Amsterdam 1999); J. Vree, Abraham Kuyper als Amsterdams predikant (1870-1874) (Amsterdam 2000); G. Harinck e.a. (red.), De Anti-Revolutionaire Partij 1829-1980 (Hilversum 2001); R. Janssens, De opbouw van de Anti-Revolutionaire Partij 1850-1888 (Hilversum 2001); D. Th. Kuiper, G.J. Schutte (red.), Het kabinet-Kuyper 1901-1905. Jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme na 1800, 9 (Zoetermeer 2001); G.J. Schutte, Het Calvinistisch Nederland (Hilversum 2001); J.P. Stoop, 'Om het volvoeren van een christelijke staatkunde'. De Anti-Revolutionaire Partij in het Interbellum (Hilversum 2001); J. van Zuthem, 'Heelen en halven'. Orthodox-protestantse voormannen en het 'politiek' antipapisme in de periode 1892-1925 (Hilversum 2001); P. Hagen, Journalisten in Nederland 1850-2000 (Amsterdam 2002) 177-183; H. te Velde, Stijlen van leiderschap (Amsterdam 2002).

Portret: 

A. Kuijper, IISG

Auteur: 
Herman Langeveld
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 165-170
Laatst gewijzigd: 

25-09-2002