JUNGIUS, Hendrika Maria Aleida

Hendrika Maria Aleida Jungius

(roepnaam: Marie), medeorganisator van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid en grondlegster en eerste directrice van het Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid, is geboren te Heiloo op 1 april 1864 en overleden te Arnhem op 22 december 1908. Zij was de dochter van Elias Cornelis Jungius, Nederlands Hervormd predikant, en Augustina Sophia Carolina Henrijette Hooykaas.

Jungius bracht haar kinderjaren door in Deventer. Haar vader was een man van 'gestrenge plichtsbetrachting en milden ernst' (J.A. Tours), haar moeder, een zuster van de predikant I. Hooykaas, een ontwikkelde vrouw die door haar bezielende woorden en liefde veel invloed op haar dochters had. Zij had een zwakke gezondheid en stierf toen Jungius nog vrij jong was. Volgens Tours, die Marie als kind kende, was zij een 'jongsachtig meisje', verzot op gymnastiek en spelletjes en al heel jong bewust van de ongelijkheid in opvoeding van jongens en meisjes. In gesprekken op school uitte zij de wens dat jongens en meisjes volkomen gelijk behandeld zouden worden. Ook beweerde zij vol overtuiging dat de jonge vrouw even goed als de jonge man soldaat moest worden. In huiselijke kring ontwikkelde zij haar talent voor het vertellen van verhalen. Op de lagere school en de HBS had zij een voorliefde voor wis- en natuurkunde. Zij droogde graag planten en legde een herbarium aan. Haar lievelingslectuur waren sprookjes en fantastische verhalen. Later zou zij ook poëzie en proza schrijven en publiceren: Verzen en Sprookjes van Leven (beide Amsterdam 1899). Toen zij achttien was ging Jungius naar de kweekschool in Haarlem en behaalde er alle aktes die een vrouw kon behalen. Haar eerste werkkring was in Den Helder, waar zij twee jaar bleef. Vervolgens ging zij naar Leeuwarden en behaalde daar ook de hoofdakte, als beste van de groep. Daarna ging zij werken aan de openbare meisjesschool in de Atjehstraat te Den Haag, waar haar zuster ook had lesgegeven. Zij woonde eerst in Scheveningen en daarna in Den Haag met Suze Groshans, eveneens onderwijzeres en Jungius' levenslange vriendin. In Den Haag kwam Jungius in aanraking met de noden van kinderen uit de volksbuurten. Zij ontmoette C. van der Hucht-Kerkhoven, die naar Engels voorbeeld in 1891 het initiatief nam tot de oprichting van een Kinderbond. Deze Vereeniging Nederlandsche Kinderbond had tot doel 'reeds bij de kinderen rechtvaardigheid en medegevoel jegens al wat leeft aan te kweeken en ruwheid en baldadigheid tegen te gaan'. Jungius werd zeer actief in deze bond. In 1895 gaf zij zelfs haar baan als onderwijzeres op om particulier secretaresse van Van der Hucht te worden. Daarnaast was zij actief in de Nederlandsche Bond tot bestrijding der Vivisectie en in 1895 een van de oprichtsters van de 's-Gravenhaagsehe Toynbee-vereeniging 'Ons Huis'.

In november 1896 werd Jungius bestuurslid van de eerder dat jaar opgerichte Vereeniging Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid (VNTV), die in 1898 een grote tentoonstelling over vrouwenarbeid wilde houden ter gelegenheid van de troonsbestijging van prinses Wilhelmina. Jungius kreeg negen maanden verlof van Van der Hucht en werd dank zij haar organisatietalent en werklust de ziel van de tentoonstelling. Zij ontwierp er een plattegrond voor, die in het Bouwkundig Weekblad door rijksbouwmeester D.E.C. Knuttel als 'uitstekend' werd gekwalificeerd. Zij schreef een vurige propagandarede, die talloze malen door haarzelf en anderen werd uitgesproken en die als Een woord over de voorgenomen Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid (Den Haag 1897) in druk verscheen. Terwijl 'vrouwenarbeid' door veel tijdgenoten als een probleem werd beschouwd, had de term voor Jungius een positieve betekenis. Zij verstond er al het 'mooie en nuttige werk' van vrouwen onder, ook de onbetaalde arbeid. Naast hoofdbestuurslid van de VNTV was zij lid van de Regelingscommissie, secretaresse van de Rubriekcommissie Industrie en presidente van de Rubriekcommissies Handel en Onderwijs. Op basis van de beroepstelling van 1889 van het Centraal Bureau voor de Statistiek stelde Jungius een Beroepsklapper (Amsterdam 1899) samen, een overzicht van de aantallen vrouwen in ieder beroep en in iedere bedrijfstak dat tijdens de tentoonstelling in de Industriezaal ter inzage lag. Deze Industriezaal, ingericht door Groshans en Jungius, was verreweg de grootste afdeling van de tentoonstelling.

De uiterst succesvolle tentoonstelling, die op 1 september 1898 sloot, trok 90.000 bezoek(st)ers en leverde een batig saldo op van ruim 20.000 gulden. Marie Jungius ging weer terug naar haar baan bij Van der Hucht en de Kinderbond, maar niet voor lang. Het bestuur van de VNTV riep haar leden op om vóór 31 maart 1900 schriftelijk plannen in te dienen voor de besteding van het batig saldo van de Tentoonstelling. Jungius gaf gehoor aan deze oproep en stelde voor een Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid op te richten, met als doel uitbreiding van de werkkring van vrouwen. Haar plan, inclusief een plattegrond en een grafische voorstelling van de organisatie van de werkzaamheden van het bureau, werd gekozen uit de 25 ingediende voorstellen. Er werd een Nationale Vereeniging voor Vrouwenarbeid opgericht met als uitvoerend orgaan het Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid (NBV). Vervolgens werd Jungius met algemene stemmen tot eerste directrice van het Nationaal Bureau gekozen. Zij begon haar nieuwe werk op 1 oktober 1901 en publiceerde nog in hetzelfde jaar Een woord over het Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid. De jaarverslagen van het NBV over 1901-1907 deden verslag van een grote hoeveelheid werk. Er werden onderzoeken verricht, adviezen en voorlichting gegeven, een bibliotheek en archief gevormd, plaatselijke comités ingesteld (die de directrice informatie over vrouwenarbeid verschaften) en een tiental publikaties verzorgd. Jungius hechtte groot belang aan degelijke kennis over vrouwenarbeid en zij verrichtte dan wel initieerde een belangrijk deel van de in totaal 37 onderzoeken die het NBV verrichtte, onder meer naar de gehuwde vrouw en de veldarbeid, naar tien jaar arbeidswetgeving, de vrouw in de steenfabricage, kinderarbeid, loodvergiftiging in de aardewerkfabricage, de uitbesteding van wezen door burgerlijke en kerkelijke armbesturen, vrouwenarbejd in de gemeentelijke telefoondienst in Nederland, het leven van buitenshuis werkende moeders en de toestand in de haringrokerijen. Als directrice van het NBV protesteerde Jungius herhaaldelijk tegen lonen die zó laag waren dat ze de betreffende vrouwen geen economische onafhankelijkheid boden. Uit onderzoek van het NBV bleek dat de grote beloningsverschillen op basis van sekse algemeen geaccepteerd waren en geschraagd werden door traditie en conventie. Zij was tegen nachtarbeid van zowel mannen als vrouwen en vóór uitbreiding van arbeidsbescherming voor alle werknemers, zowel mannelijke als vrouwelijke. Haar neiging zich het lot van alle onderdrukten aan te trekken was er de oorzaak van dat zij zich, ook in haar hoedanigheid van directrice van het NBV, bezighield met kinder- en dierenbescherming, drankbestrijding en Toynbeewerk. Zo besteedde Jungius maanden aan de voorbereiding van het door de Nationale Vrouwenraad van Nederland geïnitieerde Congres voor Kinderbescherming (april 1904), dit tot ongenoegen van Dora Haver, voorzitster van het bestuur van de Nationale Vereeniging voor Vrouwenarbeid. In 1897 was Jungius gekozen tot presidente van de afdeling Den Haag van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, een functie die zij tot 1900 vervulde. Zij behoorde tot de zogenoemde 'gematigde feministen' die zich in 1907 afsplitsten van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht en de Nederlandsche Bond voor Vrouwenkiesrecht oprichtten. Lid van een partij werd Jungius niet, hoewel zij veel voor het socialisme voelde. Volgens A. Polak 'verhinderde haar tegenzin tegen wat ook maar zweemde naar politiek een zich aansluiten bij de S.D.A.P.' Op 25 januari 1908 moest Jungius om gezondheidsredenen aftreden als directrice van het NBV om in de Alpen te gaan herstellen van tuberculose. Het bestuur van de Nationale Vereeniging voor Vrouwenarbeid benoemde haar tot erepresidente. Enige maanden na de dood van Jungius werd Polak directrice van het NBV. Om haar nagedachtenis te eren richtten Groshans en M. Methorst in 1909 het Marie Jungius Fonds op, dat, in stand gehouden door contributies en giften, gelden beschikbaar stelde aan overwerkte of zieke vrouwen om weer op krachten te komen. Het leidde vanaf 1930 een slapend bestaan en in 1951 werd in naam van het Marie Jungius Fonds een adviesbureau voor vrouwen opgericht.

Publicaties: 

Behalve de genoemde: 'Bestrijding der vivisectie. Inleiding' en 'Kinderbond en humanitarisme. Inleiding' in: Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid. Besprekingen over Maatschappelijk Werk (Amsterdam 1898) 123-151 en 227-244; De vivisectie is een kwaad en moet daarom uit de samenleving verdwijnen (Den Haag 1898); De Nederlandsche Kinderbond en de eenheid van alle humanitaire streven (Amsterdam 1899); Vivisectie in Nederland (Den Haag 1899); Over de onbegrensdheid van ons meegevoel (Amsterdam 1900); Vrouwenarbeid in de steenfabricage (Amsterdam 1903); De gehuwde vrouw en de veldarbeid (Den Haag 1903); Tien jaren arbeidswetgeving (Amsterdam 1903); Nachtarbeid der haringspeetsters (Den Haag 1903); Waarom halverwege? Een bijdrage tot de kwestie der loodvergiftiging in de aardewerkfabricage (Amsterdam 1904); Wenschelijkheid en werkelijkheid. Een bijdrage tot de kennis van het leven der arbeidster-moeder (Amsterdam 1905); Wat doet Nederland voor zijne arbeidsters-kraamvrouwen? Een bijdrage tot de kennis van het leven der arbeidster-moeder (Amsterdam 1906); Eenige opmerkingen aangaande den toestand der magazijn- en winkelbedienden in Nederland (Amsterdam 1907); Verzen en sprookjes (Huis ter Heide 1928; voorwoord I. Heijermans).

Literatuur: 

[F. Netscher], 'Karakter-schets Marie Jungius' in: De Hollandsche Revue, 1900, 822-837; J.A. Tours, 'Marie Jungius' in: De Amsterdammer, 15 en 22.3.1908; A. Polak, 'Marie Jungius' in: Tijdschrift voor Armenzorg en Kinderbescherming, 1909, nr. 2; W.H. Posthumus-van der Goot, 'JUNGIUS, Hendrika Maria Aleida' in: BWN I, 282-284; C.van Eijl, Het werkzame verschil (Hilversum 1994); M. Grever, B. Waaldijk, Feministische openbaarheid. De Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898 (Amsterdam 1998); H. Pott-Buter, K. Tijdens, Vrouwen leven en werk in de twintigste eeuw (Amsterdam 1998); A. Kluveld, Reis door de hel der onschuldigen. De expressieve politiek van de Nederlandse Anti-vivisectionisten, 1890-1940 (Amsterdam 2000).

Portret: 

H.M.A. Jungius, IIAV

Auteur: 
Francisca de Haan, Annette Mevis
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 107-110
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003