JANSSEN, Henri Adelbert

H.A. Janssen (Harry van Kruiningen)

(bekend als Harry van Kruiningen), communistisch beeldend kunstenaar, is geboren in Hansweert bij Kruiningen op 28 januari 1906 en overleden in Laren, Noord-Holland op 30 juni 1996. Hij was de zoon van Cornelis Reinier Janssen, rijksambtenaar, en Klaaske Broersma, dienstbode. Op 8 mei 1929 trad hij in het huwelijk met Helena Maria (Rie) Lieuwen, met wie hij een zoon kreeg.
Pseudoniemen: Arry Janssen, Arteek 1, Harry van Kruiningen.

De vader van Janssen was rijksambtenaar bij de Afdeling Douane en Accijnzen van de Dienst Belastingen, zijn moeder deed het huishouden. Het beroep van de vader bracht verschillende verhuizingen met zich mee. In 1914 verhuisde het gezin met de twee kinderen van Delft naar Amsterdam, waar de grootouders en overige familieleden van zijn moeder woonden. Zijn vader was depressief en overleed toen Janssen tien jaar oud was. Om in het onderhoud van haar gezin te voorzien besloot zijn moeder kamers aan studenten te verhuren. Janssen moest bijspringen en ging daarom van de ULO (Uitgebreid Lager Onderwijs) af om een baan te zoeken. Als 16-jarige werkte hij onder meer als verkoper bij de herenmodezaak Sinemus en als leerling-etaleur bij de herenafdeling van Gerzon. Bij Gerzon ontmoette hij Jan Lemaire, zoon van de bekende toneelspeler Jan Lemaire (senior), die uit een socialistisch milieu kwam. Op diens aanraden werd hij lid van de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC). Na verschillende baantjes besloot hij bakker te worden, omdat hij dan vroeg moest beginnen maar ook vroeg klaar zou zijn, waardoor hij gedurende de middag gelegenheid had voor zijn grote passie, het schilderen. Janssen had zich rond zijn zeventiende voorgenomen dat hij ‘in de kunst zou gaan’. Een kunstopleiding was echter een onhaalbaar ideaal. Omdat hij de juiste vooropleiding miste, was een studie aan de Rijksacademie voor beeldende kunst voor hem niet weggelegd. Maar dankzij een kleine erfenis op zijn 21e kon hij de Kunstnijverheidsschool (de latere Rietveld Academie) in de avonduren bezoeken en later het particuliere Tekeninstituut van Johan Piersma. Nadat hij in 1929 de opleiding bij Piersma had verlaten, nam hij, naar zijn Zeeuwse geboorteplaats, het pseudoniem H. van Kruiningen aan en voerde hij Harry als voornaam in plaats van het deftigere Henri.

Janssen was maar kort lid van de AJC. In 1924 stapte hij over naar de Communistische Jeugdbond 'De Zaaier', waarvan hij enige tijd voorzitter van de afdeling Amsterdam-Oost was, en werd spoedig lid van de Communistische Partij in Nederland (CPN). In 1926 volgde Janssen de drieweekse kadercursus van de partij in het klasje van Henriette Roland Holst. Omdat zij voornamelijk met politiek bezig waren, wisten zijn medeleden niet dat Janssen zich ook met kunst bezig hield. Bij de Zaaier leerde hij Rie Lieuwen kennen, die uit een gezin kwam waarvan de vader, een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken, weinig inkomsten wist te verwerven. Zij werkte sinds haar dertiende in een naaiatelier, was leidster van de pioniers van De Zaaier en zette zich haar hele leven met hart en ziel in voor de 'goede zaak'. In 1929 trouwden zij. De eerste tentoonstelling waaraan Van Kruiningen meedeed was in 1928. Dit was een ledenexpositie in het Stedelijk Museum van de in 1912 in Amsterdam opgerichte Onafhankelijken, een als 'links' bekend staande kunstenaarsvereniging. Twee jaar later nam hij deel aan de internationale tentoonstelling Socialistische Kunst Heden, die de Socialistische Kunstenaars Kring van 8 november tot 8 december 1930 in het Stedelijk Museum organiseerde. Van Kruiningen maakte serieuze schilderijen in de trant van de Nieuwe Zakelijkheid. Hij schilderde stillevens met schedels en preparaten, (stads)landschappen en portretten van zijn naaste familieleden. Dankzij Carel van Lier, die Paul Citroen tipte, kwam een afbeelding van een schilderij van Van Kruiningen in Citroens boek over de stand van de Nederlandse schilderkunst Palet (Amsterdam 1931) terecht. Van Kruiningen exposeerde bij Amsterdamse kunsthandels als Goudstikker, Huinck & Scherjon en Van Lier. Indertijd bekende critici als Jan van Deene, Jan Engelman en Kaspar Niehaus waren positief over zijn exposities. Tijdens de crisisjaren kreeg Van Kruiningen een uitkering van de Dienst Maatschappelijke Steun van de Gemeente Amsterdam. Samen met de beeldhouwer Jan Havermans pleitte hij bij de Gemeente Amsterdam ervoor dat kunstenaars, net als werknemers, recht kregen op een uitkering. De uitkering duurde tot kort voor de Tweede Wereldoorlog en bestond uit zestien gulden in de week (enkele guldens meer dan handarbeiders ontvingen), een pakje margarine en een bus gehakt. Zijn creativiteit beperkte zich niet tot de schilderkunst, maar uitte zich ook in het opzetten van (weinig lucratieve) handeltjes, zoals in zaagsel en flesjes parfum, en het optreden als standwerker op de markt. Ook trachtte hij inkomsten te verwerven door het vervaardigen van seriewerkjes en probeerde hij samen met zijn vriend Daan Goulooze, die in 1930 organisatiesecretaris van de CPN werd, door colportage wat schilderijen te verkopen. In de periode 1933 tot 1941 en van 1945 tot 1956 kocht de Gemeente Amsterdam ieder jaar een schilderij van hem aan. Daarnaast kreeg hij een uitkering uit het Voorzieningenfonds voor Kunstenaars, dat in 1935 was opgericht ter ondersteuning van kunstenaars in financiële nood.

De partij verwachtte van Van Kruiningen dat hij werkzaamheden verrichtte voor manifestaties en congressen, zoals het onder dak brengen van een groot aantal werklozen voor een groot congres in 1932. Vanaf zijn tijd bij De Zaaier maakte hij politieke prenten voor De Tribune, het officiële partijorgaan van de CPN, maar hij tekende ook voor andere linkse periodieken, zoals De Spelbreker, De Rotzooi, een gestencild krantje voor soldaten, en het antimilitaristische blad De Wapens Neder. Het waren doorgaans rauwe en felle aanklachten tegen de kapitalistische maatschappij en de koloniale politiek van de Nederlandse overheid. Twee van deze prenten worden in het Poesjkin Museum in Moskou bewaard. Van Kruiningen beweerde later dat bij zijn geëngageerde werk een 'soort fanatisme' bovenkwam. Dit liep parallel aan het communistische gebruik in de latere jaren twintig om linkse sociaaldemocraten 'sociaalfascisten' te noemen. In De Tribune publiceerde Van Kruiningen onder de schuilnaam Arteek 1. In de organisatie Arteek (Arbeiders tekenaars) gingen de politieke tekenaars samen, waarbij iedere tekenaar een nummer kreeg. Hij was nummer één en Chris Beekman Arteek 8. Collega-kunstenaars als Peter Alma, Beekman, Hildo Krop en Han Pieck publiceerden eveneens tekeningen in De Tribune of werkten mee aan tentoonstellingen, zoals over de Spaanse burgeroorlog. Het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis bewaart nog enkele door Van Kruiningen vervaardigde tekeningen en affiches, waaronder een oproep uit 1933 om CPN te stemmen onder de leuze ‘Indonesië los van Holland nu’. In 1936 nam hij in verband met de Olympische Zomerspelen in nazi-Duitsland met een schilderij met schaatsenrijders deel aan de tentoonstelling De Olympiade Onder Dictatuur (D.O.O.D.). Op zijn lithopers, die hij in 1936 kocht van de vader van de schilder Joop Moesman, vervaardigde hij miniboekjes met teksten van Karl Marx en Vladimir Lenin, bestemd voor het kader van de communistische partij in Indonesië. Vanaf 1937 en tijdens de eerste oorlogsjaren was Van Kruiningen via de aan de CPN gelieerde Internationale Rode Hulp actief in de hulpverlening aan politieke vluchtelingen. Goulooze, die voor de partij een illegaal verbindingsnetwerk met de Communistische Internationale in Moskou onderhield, vroeg hem hieraan deel te nemen. Samen brachten zij communistische vluchtelingen naar veiliger plaatsen. Van Kruiningens voornaamste taak bestond uit het vervalsen van persoonsbewijzen op zijn lithopers, waarbij zijn vriend, de kunstenaar Ger Gerrits, de benodigde stempels maakte. Als graficus was Van Kruiningen uitermate geschikt voor dit werk. Hij maakte persoonsbewijzen voor onder meer Manowar Musso, de verbannen leider van de Indonesische communisten, die hij ook korte tijd onderdak verschafte, afwisselend met Beekman en zijn oom Willem van Ulsen. Ook maakte hij een paspoort voor Erich Honnecker, de latere partijvoorzitter van de Duitse Democratische Republiek. Toen hij dit werk ging doen, kreeg hij de opdracht niet meer naar partijvergaderingen te komen. Met Van Ulsen onderhield hij contact met Moskou via een geheime zender van het Goulooze-apparaat. Na een toevallige aanhouding door de Gestapo moest Van Kruiningen, die zich uit het Huis van Bewaring wist te praten, in juli 1943 onderduiken. Aan zijn illegale arbeid kwam hierdoor een einde.

Na de oorlog legde Van Kruiningen zich toe op het vervaardigen van kleurenlitho’s. Zijn stijl werd abstract en fantasierijk. In 1947 gaf de Republiek der Letteren, waarvan Goulooze directeur geworden was, de eerste serie van 24 litho’s uit. Partijuitgeverij Pegasus gaf van Van Kruiningen, die vóór de oorlog  al drie kinderboeken had gemaakt (waarvan één met Gerard J.M. van het Reve onder het pseudoniem G. Revers), de sprookjes De tovertuin van Eekje Hoorn (Amsterdam 1947) en Eekje Hoorn overwint (Amsterdam 1948) uit. Deze waren geïllustreerd met kleurenlitho’s en zwart-wit tekeningen. Zijn keuze voor grafiek werd ingegeven door de betaalbaarheid voor een grotere groep kunstliefhebbers. In 1958 werd Van Kruiningen benoemd tot docent grafische kunsten aan de Academie voor Beeldende Kunst te Arnhem. Zijn lidmaatschap van de CPN zegde hij toen op, al bleef hij trouw aan zijn politieke opvattingen. In 1958 richtte hij samen met Jan G. Winterink, directeur van de Wereld-Bibliotheek, het Amsterdams Grafisch Atelier op, een van de oudste grafische werkplaatsen, oorspronkelijk bestemd om faciliteiten te bieden aan Amsterdamse kunstenaars die zich geen eigen atelier konden veroorloven. Zijn grootste succes behaalde Van Kruiningen vanaf de jaren zestig met etsen, aanvankelijk zwart-wit en later kleurenetsen. Voor Van Kruiningen, die van kind af aan veel las en een ruim gevulde boekenkast had, vormde literatuur een inspiratiebron voor zijn grafisch werk.  Zijn bibliofiele uitgaven met litho’s en etsen zijn uitingen daarvan. Zij zijn geen illustraties bij de literatuur, maar eigen interpretaties en verbeeldingen van mensen met een weerbarstig, trots of eigenzinnig karakter, niet bereid zich te conformeren aan de alledaagse mores (zoals Spinoza, Multatuli, de hervormingsgezinde farao Akhnaton en Halewijn), zich neer te leggen bij het noodlot (Gilgamesj) of bij de willekeur van de heersende macht (Gulliver). Zelf zei hij er over: ‘Ik interesseer me voor lieden in de geschiedenis die ergens tegenaan gingen’. Hij voelde zich sterk verbonden met de tijd waarin hij leefde. ‘Ik sta helemaal links’, was een vaak gehoorde uitspraak van hem. Zijn sociale betrokkenheid als kunstenaar uitte zich verder in actieve deelname aan kringen, verenigingen en vakorganisaties die zich beijverden voor een betere positie van de kunstenaar, zoals ‘De Grafische’ (de Vereeniging tot Bevordering van de Grafische Kunsten) uit 1912, de Bond van Kunstenaars ter Verdediging van Kulturele Rechten uit 1935, de Socialistische Kunstenaars Kring en de Vakgroep van Grafici en Tekenaars, waarvan hij na de oorlog de oprichter was (een onderdeel van de Federatie van Kunstenaarsverenigingen). Daarnaast was hij lid van Arti et Amicitiae, Pulchri en andere, meer sociale en minder politiek geëngageerde kunstenaarsverenigingen. In 1971 legde hij vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zijn docentschap neer. Hij ging echter door met het vervaardigen van grafiek en schilderijen tot twee jaar voor zijn dood.

Over zijn periode in het verzet sprak Van Kruiningen nooit, vooral uit loyaliteit aan Goulooze, die na de oorlog door de CPN onder leiding van Paul de Groot werd geschorst, maar ook uit bescheidenheid. Hij zette zich steeds in voor de verbetering van de financiële en materiële omstandigheden van (jeugdige) kunstenaars, ook toen hij niet meer politiek actief was. Als kunstenaar was hij succesvol, maar hij beroemde zich niet op zijn succes. Hij en zijn vrouw leefden sober en gaven niet om luxe. Zij maakten jaarlijks een reis, naar het Oostblok, Israël, het Midden-Oosten en Frankrijk, waar hij ook inspiratie opdeed voor zijn beeldende kunst. In totaal deed hij mee aan ruim 150 tentoonstellingen, in het begin van zijn carrière veel met collega’s samen en, naarmate hij bekender werd, voornamelijk solo-exposities. Zijn werken bevinden zich onder andere in het Stedelijk Museum, het Rijksmuseum, Museum Boijmans Van Beuningen en in musea in het buitenland, waaronder het Museum of Modern Art in New York, het Victoria and Albert Museum in Londen en de Bibliothèque Nationale de France in Parijs. Zijn laatste schilderij ‘Stad bij avond’, met olieverf geschilderd op een ets op hout, maakte hij in 1994. Vanaf die tijd ging het bergafwaarts met zijn geheugen en begon hij te dementeren. Hij woonde vanaf 1988 in het Rosa Spierhuis, waar hij in 1996 stierf. Zijn vrouw was tien jaar eerder overleden. De laatste expositie van zijn werk vond plaats in Groningen in 2012.

Archief: 

Dossier 5111, Archief van de Commissie van Bijstand voor de zaken van Kunst 1919-1921, en Dossier Voorzieningenfonds voor Kunstenaars: H.A. Janssen 5192, Archief van de secretarie Afdeling Kunstzaken, periode 1921-1948, beide in Stadsarchief Amsterdam.

Publicaties: 

(behalve de genoemde): De avonturen van Mop en Strop (Amsterdam 1930; tekst G. Revers; illustraties Van Kruiningen); De wonderlijke avonturen van jonkheer Stribbel (Amsterdam 1931; met G. Revers; in werkelijkheid geschreven en geïllustreerd door Van Kruiningen); De apen van mijnheer Pimpermeijer (Amsterdam 1932; met G. Revers; in werkelijkheid geschreven en geïllustreerd door Van Kruiningen); Stille pracht in het tropische aquarium (Zaandam 1945; met J.M. Lodewijks en R. Stuurman); ‘Naoorlogse vernieuwing in de schilderkunst’ in: Kroniek van Kunst en Kultuur, 7/12, 1946, 386-389; Immeke: de wonderlijke avonturen van een honingbij (Purmerend 1949); Acht kleurenlitho’s bij de Gedaanteverwisselingen van P. Ovidius Naso (Amsterdam 1953; bibliofiele uitgave); Avonturen met tekenaars nu en lang geleden: een boek over kunst, verteld voor jongens en meisjes (Amsterdam 1953); Acht kleurenlitho’s bij het Zonnelied van Achnaton (Amsterdam 1954; bibliofiele uitgave); Zondvloed en levenskruid: acht kleurenlitho’s bij het Gilgamesj epos (Amsterdam 1955; bibliofiele uitgave); Acht kleurenlitho’s bij het lied van Heer Halewijn (Amsterdam 1956; bibliofiele uitgave); Acht etsen van H. van Kruiningen bij de opstand van het grauw (Schiedam 1957; bibliofiele uitgave); De zwarte tampon, geschiedenis en techniek van de grafische kunst. Drie documentaires: hoogdruk, vlakdruk, diepdruk (film 1961; scenario en regie: Van Kruiningen; camera en montage: Ulco Janssen; commentaar: Hans Redeker en Netty Rosenfeld); Rembrandt als etser zoals men hem nooit zag (film 1963; scenario en regie: Van Kruiningen; camera en montage: Ulco Janssen; opdracht Rijksvoorlichtingsdienst); Leven en willekeur in Amsterdam: 33 etsen geïnspireerd op middeleeuwse willekeuren, rechterlijke uitspraken en andere historische dokumenten (Amsterdam 1970; serie in boekvorm); Twee en twintig etsen bij minnebrieven van een Franc-Tireur – Multatuli (Nieuwkoop 1973; serie in boekvorm); Gilgamesj (Amsterdam 1974; serie in boekvorm); Twee en twintig etsen bij uitspraken van een brilleslijper, Spinoza (Nieuwkoop 1975; serie in boekvorm); Vierentwintig etsen, geïnspireerd op een hypothese van het ontstaan van het leven (Amsterdam 1977; serie in boekvorm); Techniek van de grafische kunst (Rotterdam 1978); Het ontstaan van de seksualiteit verbeeld in prenten: tweeëntwintig etsen geïnspireerd op het ontstaan van de seksualiteit (Amsterdam 1980); Gilgamesj: de mens in verzet tegen zijn noodlot: het eeuwenoud verhaal inspireerde Harry van Kruiningen tot het maken van zestien etsen (Amsterdam 1985); Een spel van ei- en zaadcel: acht etsen en verklarende tekst door Harry van Kruiningen bij het ontstaan van een ei- en zaadcel van de wierkolonie VOLVOX, waar volgens de algologen waarschijnlijk voor het eerst in de evolutie van het leven op aarde de taakverdeling van arbeid plaats vond  (Amsterdam 1986).

Literatuur: 

W. Boers, ‘Kentering in onze schilderkunst’ in: Kroniek van Kunst en Kultuur, 7/7-8, 1948, 215-217; ‘Harry van Kruiningen: schrijver van kinderboeken en improvisator op steen’ in: De Waarheid, 28.1.1950 (interview); ‘Van Kruiningen en de grafische kunst’ in: Friesch Dagblad, 26.11.1966; G. Harmsen, Daan Goulooze: uit het leven van een communist (Utrecht 1967, herziene druk Rondom Daan Goulooze: uit het leven van een communist, Nijmegen 1980); P.A. Scheen, Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars, 1750-1950 (Den Haag 1969) 554; H. Egbers, ‘Ik ben altijd met levende dingen bezig: Harry van Kruiningen 40 jaar grafiek’ in: De Stem, 2.2.1976 (interview); A.J. Odijk, ‘Van Kruiningen en het ontstaan van leven op aarde: Biochemie als passie van een graficus’ in: De Volkskrant, 30.4.1977; Harry van Kruiningen: vijftig jaar bezig met kleurlitho’s, etsen, kleuretsen, schilderijen en bibliofiele uitgaven (Den Haag 1978); K. Spigt en T. Aarden (regie), Interview met Harry van Kruiningen, uitzending Humanistisch Verbond, 12.12.1978; H. Mulder, Kunst in crisis en bezetting: een onderzoek naar de houding van Nederlandse kunstenaars in de periode 1930-1945 (Utrecht 1978); C. van Houts, ‘Graficus Van Kruiningen en het sexuele leven van algen’ in: Het Parool, 22.11.1980; D. Desjardijn en C. Dieters, ‘Harrie van Kruiningen’s levensverhaal’ in: Kunst laaft, 1/8, 1981, 9-12; F. van den Burg, De Vrije Katheder 1945-1950. Een platform van communisten en niet-communisten (Amsterdam 1983); C. van Lakerveld: ‘“Ik had wel twee of drie levens”. Interview met Harry van Kruiningen’ in: Cahiers over de geschiedenis van de CPN, nr. 8, 1983, 141-158; W. Stokvis (red.) De doorbraak van de moderne kunst in Nederland (Leiden 1984); T. Gubbels, Kunst en communisme in Nederland 1945-1976 (Amsterdam 1985); S. de Loor, Harry van Kruiningen: een analyse van zijn werk (Utrecht 1989; doctoraalscriptie Universiteit Utrecht); G. Harmsen, Herfsttijloos (Nijmegen 1993); B. Dokter en C. van Lakerveld, Een kunstolympiade in Amsterdam: reconstructie van de tentoonstelling D.O.O.D. 1936 (Amsterdam 1996); D. Welling, ‘Harry van Kruiningen 1906-1996’ in Trouw, 2.7.1996; C. Blotkamp en Y. Koopmans, Magie en zakelijkheid – realistische schilderkunst in Nederland 1925-1945 (Zwolle 1999) 201-203; G. Harmsen, Chris Beekman, een kunstenaarsleven 1887-1964 (Nijmegen 1999); P.M.J.E. Jacobs, Beeldend Benelux: biografisch handboek (Tilburg 2000) 574-575; Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, https://rkd.nl/nl/explore/artists/46626.

Portret: 

H.A. Janssen, 1954. Foto: Ulco Janssen.

Handtekening: 

Huwelijksakte van Janssen/Lieuwen dd 8 mei 1929. Reg 2B fol 20, akte 228 ; akteplaats Amsterdam. Als bruidegom.

Auteur: 
Annemieke Jurgens
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online, maart 2015