BEEKMAN, Christiaan Hendrik

Christiaan Hendrik (Chris) Beekman

(roepnaam: Chris), communistisch schilder en tekenaar en bestuurder van belangenorganisaties voor beeldende kunstenaars, is geboren te Den Haag op 28 mei 1887 en overleden te Blaricum op 13 januari 1964. Hij was de zoon van Christiaan Michiel Beekman, zelfstandig meester-timmerman en later administrateur van een volksbond, en Hendrica Machtilda Vroomans. Op 19 april 1916 trad hij in het huwelijk met Nellij Elisabeth Knikker, kinderjuffrouw. Dit huwelijk bleef kinderloos en werd ontbonden op 30 oktober 1931. Pseudoniem: C. Pletter.

Beekman stamde uit een vrome roomskatholieke familie, die al generaties in Den Haag woonde. Zijn vader had een eigen timmermanswerkplaats en zijn ouders waren niet in slechte doen. Met dertien jaar begon Beekman in 1900 zijn loopbaan op de Haagse aardewerkfabriek Rozenburg. Hier schilderde hij aardewerk in de door Th.A.C. Colenbrander onder invloed van de Jugendstil ontworpen florale ornamentiek. Zowel zijn collega's op de fabriek, van wie er verschillende bekendheid zouden krijgen als beeldend kunstenaar, als zijn oudere neef Jan Altorf, beeldhouwer en anarchist, beïnvloedden zijn denken en stimuleerden zijn ontwakende aspiratie om kunstenaar te worden. Zijn roomse geloof liet hij weldra radicaal los. Hij bleef tot zijn dood atheïst. Hij tekende veel naar de natuur, portretteerde en componeerde romantische stillevens. In zijn woonplaats kwam Beekman uitsluitend in aanraking met de schilderkunst van de Haagse School. Vooral van het werk van W.B. Tholen en W. de Zwart onderging hij de invloed. Hij kwam al vroeg in aanraking met het vrije socialisme van F. Domela Nieuwenhuis, die bovendien blijkbaar graag poseerde zodat ook Beekman in 1908 de gelegenheid kreeg hem te schilderen. In januari 1909 zei Beekman het fabrieksleven vaarwel om zich geheel aan de kunst te wijden. Samen met zijn collega's van de fabriek Jan Knikker en Louis Sonius huurde hij atelierruimte. In 1906 werd hij verliefd op Nelly, de zuster van Jan Knikker, maar het zou nog tot 1916 duren voor zij trouwden. Zeer bedacht op zijn vrijheid wilde hij geen kinderen. In 1913 trok hij als zovele kunstenaars voor en na hem naar Parijs waar hij los kwam van de invloed van de Haagse School. Vooral Th.A. Steinlen en zowel de mens als de kunstenaar P. Signac maakten grote indruk op hem. Stonden tot dusverre zijn politieke overtuiging en de beeldtaal waar van hij zich bediende, geheel los van elkaar alsof kunst iets buiten de dagelijkse werkelijkheid was, nu maakten de levende natuur en het boerenbestaan plaats voor paupers en zielige oudjes. Bij zijn neef Altorf ontmoette hij de kunstcriticus H.P. Bremmer, die onder de indruk raakte van het werk van Beekman. Bremmer zorgde er voor dat deze een maandgeld van mevrouw H. Kröller-Müller kreeg. Zij verrekende dit met het werk dat Beekman ervoor leverde.

In 1916 verhuisden Beekman en Bart van der Leck, die hij ondertussen had leren kennen, naar Eemnes in Het Gooi. Beekman volgde zijn buurman Van der Leck ook op diens weg naar het twee-dimensionale schilderen: een marskramer een mand torsend, een vrouw achter een kruiwagen en houtzagers. Ten slotte schilderden zij een tijdlang volgens de non-figuratieve principes van De Stijl. Beekman dacht dat dit de kunst van de toekomstige communistische maatschappij zou worden. De revolutie in de kunst en die in de maatschappij zag hij als twee kanten van een en hetzelfde proces. Met anderen zette Beekman een protestactie op tegen de belemmeringen die aan het corresponderen met kunstenaars in de Sovjet-Unie en het uitwisselen van kunst en tijdschriften in de weg werden gelegd door regeringen waaronder de Nederlandse. Dit leidde tot een politiek conflict binnen De Stijl-groep. Beekman, Peter Alma en R. van 't Hoff kozen voor het communisme en sloten zich aan bij de Communistische Partij in Nederland (CPN). Van Doesburg en anderen verklaarden zich vierkant tegen het verbinden van kunst en partijpolitiek. Beekman begon zich nu ervan bewust te worden dat zijn non-figuratieve kunst de arbeiders niet aansprak. De schrijver Sam Goudsmit, met wie hij zeer nauw bevriend raakte, overtuigde hem ervan dat deze kunst niet revolutionair maar burgerlijk was en heel wel paste in de salons van de rijken. Beekman keerde terug tot de figuratieve kunst en probeerde, toen hij zich met Goudsmit en diens vrouw rond 1930 in Amsterdam vestigde, de politiek van de CPN veel directer in zijn werk tot uitdrukking te brengen. In de jaren van werkloosheid en nieuwe hoop op revolutie, ontwikkelde Beekman zich tot de schilder van werklozen in het straatbeeld, demonstraties, straatdiscussies en stakers. De kunstenaarsorganisatie De Onafhankelijken, die zich keerde tegen het academisme en ook wilde dat de kunstenaars zelf uitmaakten wat er van hun werk tentoongesteld werd, koos Beekman, die vanaf 1926 lid was, in het bestuur. Jarenlang was hij secretaris. Al in 1917 behoorde Beekman tot degenen, die de behoefte voelden aan een vakorganisatie voor beeldende kunstenaars. In 1929 namen De Onafhankelijken het initiatief tot de Amsterdamse Federatie van Beeldende Kunstenaarsverenigingen en in 1930 tot de Nederlandse Federatie van Beeldende Kunstenaarsverenigingen. Harmen Meurs werd voorzitter, Beekman secretaris. Op deze wijze was het mogelijk meer pressie op de overheid uit te oefenen om een regeling voor een speciale vorm van sociale uitkeringen te treffen. Ook Beekman hield zich financieel moeilijk staande.

De Volksfront-politiek die de communistische partijen rond 1935 doorvoerden als antwoord op de fascistische vloedgolf, ervoer Beekman als een artistieke bevrijding. Het ging nu niet meer uitsluitend om de strijd van de arbeidersklasse maar om het verdedigen van menselijkheid en het leven zelf tegen de oprukkende barbarij. Bomen, bloemen, naakten en daklandschappen vulden zijn doeken. Dit alles betekende echter niet dat de politiek uit zijn werk en leven verdween. Vanaf het aan de macht komen van Hitler reisde hij in opdracht van Daan Goulooze als koerier naar Duitsland. Vervolgde Indonesische communisten vonden bij hem onderdak en op doorreis logeerde de Komintern-instructeur Tom Beil bij hem. In de jaren van de bezetting nam hij niet alleen actief deel aan het verzet maar bleef ook tekenen en schilderen. Zowel de nazi-terreur als het verzet beeldde hij uit. Hij negeerde de aanwijzing van de illegale CPN om zich bij de Nederlandsche Kultuurkamer als lid aan te melden om zo des te veiliger verzetswerk te kunnen doen. Daarvoor was hij te anarchistisch gebleven. Na de oorlog kwam de Nederlandse Federatie van Beroepsverenigingen van Kunstenaars tot stand. Beekman werd tweede secretaris van de hierbij aangesloten Beroepsvereniging van Beeldende Kunstenaars. Het bestuur telde slechts één niet-communist. Tot 1961 drukte zijn werk het geloof in een menselijker samenleving uit maar niet zonder daarnaast de verschrikkingen uit te beelden van de atoomoorlog, die een einde aan alle beschaving zou maken. Op 27 september 1962 werd hij getroffen door een hersenbloeding die hem gedeeltelijk verlamde. Daarna ging hij snel achteruit. Ruim een jaar later overleed hij in het verpleeghuis Hoog-Laren te Blaricum. Fred Schoonenberg, oud-hoofdredacteur van De Waarheid, en collega's spraken bij de crematie op Westerveld.

Archief: 

Archief C.H. Beekman in Kröller-Muller (Otterlo); deel collectie in Amsterdams Historisch Museum (Amsterdam).

Literatuur: 

(G. Harmsen), 'Strijdbare menselijkheid. Uit het leven en werk van Chris Beekman' in: De Waarheid, 19.5.1951; G. Harmsen, 'Nederlandse en Russische kunstenaars tijdens de revolutiejaren; kanttekeningen bij een brief van Kazimir Malewitsj', in: De Nieuwe Stem, 1967, 309-321; G. Harmsen, 'De Stijl en de Russische revolutie' in: M. Friedman (red.), De Stijl 1917-1931 (Amsterdam, Otterlo 1982) 45-49; G. Harmsen 'Chris Beekman' in: Sj. Ex, E. Hoek (red.), Vilmos Huszar, schilder en ontwerper (Utrecht 1985) 185-188 (hierin is ook de briefwisseling van Huszar met Beekman afgedrukt); L. Heyting, De wereld in een dorp. Schilders, schrijvers en wereldverbeteraars in Laren en Blaricum 1880-1920 (Amsterdam 1994); G. Harmsen, Chris Beekman. Een kunstenaarsleven, 1887-1964 (Nijmegen/Otterlo 1999).

Portret: 

C.H. Beekman, zelfportret, 1958 (Kröller-Muller Museum, Otterlo)

Handtekening: 

Huwelijksakte van Beekman/Knikker dd. 19 april 1916. Reg. 3B fol 42v, akte 274 akteplaats Amsterdam. Als bruidegom. 

Auteur: 
Ger Harmsen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 5-7
Laatst gewijzigd: 

28-02-2017 (beroep vader, voornaam en beroep echtgenote, datum ontbinding huwelijk gecorigeerd)